‘De Tour zal zelf de grootste verliezer zijn’

Johan Bruyneel won zeven keer de Tour met Lance Armstrong en vorig jaar met Alberto Contador. Vandaag ontbreekt hij bij de start. Bitter is hij niet.

Johan Bruyneel kan er nu om lachen. Hij, de man die Lance Armstrong met uitgekiende trainingsschema’s zeven keer klaarstoomde voor een overwinning in de Tour de France, moest acht dagen voor het begin van de laatste Giro d’Italia flink improviseren toen zijn Astana-ploeg alsnog een uitnodiging kreeg.

Zonder fietsen valt er weinig te wielrennen en dus liet Bruyneel (Izegem, 1964) in allerijl het nodige materiaal naar startplaats Palermo sturen. Ook belde hij Tourwinnaar Alberto Contador, die op dat moment met zijn vriendin vakantie vierde in Cádiz. Vier weken later stond de Astana-renner na de slottijdrit in de roze trui op het podium in Milaan.

„Alle theorieën omtrent een goede rondevoorbereiding zijn met die overwinning van de kaart geveegd, maar toch had ik mijn team liever anders voorbereid. Er was echter ook een voordeel: Contador gold ditmaal niet als dé favoriet. En dus hoefden we niet drie weken lang alle aanvallen van de concurrentie te pareren, zoals vroeger met Armstrong in de Tour”, verklaart Bruyneel het succes in de Italiaanse rittenkoers.

Toen Girodirecteur Angelo Zomegnan eerder dit jaar bekendmaakte dat hij het Astana-team, ondanks een ingrijpende schoonmaak door Bruyneel, uit zijn ronde wilde weren, verdedigde hij zijn besluit met de opmerking dat „je geen maagd wordt door je ’s morgens eens flink te wassen”.

Tot ergernis, nog altijd, van de Belgische teambaas. „De officiële uitleg was dat de kwaliteit van onze ploeg onvoldoende was, omdat Contador niet zou meedoen. Daarna haalden ze er het dopingverleden van Astana bij. Maar volgens mij werd die beslissing vooral beïnvloed door de Tourorganisatie ASO. Wij wilden dit jaar notabene de Giro rijden met Andreas Klöden, winnaar van de Tirreno-Adriatico. Toen er meer druk op Zomegnan kwam en hij zijn kans schoon zag om Contador alsnog aan de start te krijgen, is hij van gedachten veranderd.”

Die ‘druk’ zou volgens de verhalen vooral door de Kazachstaanse overheid zijn uitgeoefend. „Druk is misschien niet het juiste woord. Er zijn wel gesprekken gevoerd om Astana in de Giro te krijgen.” Zat daar ook de minister bij die over de gasexport naar Italië gaat? „Ik weet niet precies wie er bij waren, maar de belangen waren groot. Voor Kazachstan én voor de Giroleiding. De Italianen wilden Alberto graag in hun koers hebben. Kort voor aanvang stelden ze ons een ultimatum: we konden komen, maar dan wel met Contador.”

Na de Giro waren alle ogen gericht op Tourdirecteur Christian Prudhomme, die ook al vroeg aankondigde dat Astana niet welkom was in de Tour, die vandaag in Brest van start gaat. Prudhomme hield echter voet bij stuk: Astana krijgt dit seizoen geen startbewijs. „Ik had die hoop allang opgegeven. Voor mij is de kous af voor dit jaar. Als je bedenkt hoeveel kritiek ik kreeg toen ik eind 2007 naar Astana overstapte en als je nu ziet waar wij staan, mag ik best tevreden zijn. De ploeg had toen allerlei dopingperikelen achter de rug en de organisatie was een warboel. Nu is dat anders. Ik denk dat de Tour de grootste verliezer zal zijn.”

Astana kwam vorig jaar tijdens La Grande Boucle negatief in het nieuws toen de Kazachstaanse kopman Aleksander Vinokoerov betrapt werd op het gebruik van bloeddoping. Maar ook andere ploegen, waaronder T-Mobile (inmiddels omgedoopt tot Team Columbia), kampten met problemen. Toch mogen die teams wel aan de Tour meedoen.

Onverkwikkelijk, vindt Bruyneel. „Ik zeg niet dat andere teams níet mogen meedoen, maar Astana wordt nu als enige geweerd omdat de ploeg al in 2006 problemen zou hebben gehad. Onzin! Er was toen niks mis met Astana. De sponsor Astana is destijds alleen ingesprongen om de Liberty Seguros-ploeg te redden. Dat stuit mij tegen de borst, dat de ASO zo haar besluit rechtvaardigt.”

Ondanks zijn schijnbare ‘gelijk’ heeft Bruyneel geen klacht ingediend bij het internationaal sporttribunaal CAS in Lausanne, waar de Spaanse wielrenner Alejandro Valverde vorig jaar nog met succes een ban door de wielerbond UCI aanvocht. „Ik wil me niet opdringen bij een feest waarvoor ik niet ben uitgenodigd. Het was de afgelopen jaren sowieso moeilijk in de Tour, met steeds weer die negatieve atmosfeer om ons heen. Misschien is het goed om er eens een jaar niet bij te zijn. De ASO ontkent het, maar ik denk dat de ban tegen Astana ook tegen mij persoonlijk is gericht.”

Waarom Bruyneel zo denkt? „Als je, zoals ik met Lance Armstrong, met veel overmacht wint, ben je al gauw verdacht en ongeliefd in Frankrijk. Neem Jacques Anquetil en Raymond Poulidor. Beiden zijn Fransen, maar Anquetil [vijf keer winnaar van de Tour] wordt gehaat en Poulidor [drie keer tweede in Tour] is razend populair. En Laurent Fignon werd pas geliefd toen hij in de Tour van 1989 na de afsluitende tijdrit op acht seconden als tweede achter Greg Lemond eindigde. Daarom kun je je in Frankrijk maar beter kwetsbaar opstellen. Ik was laatst bij de Dauphiné Liberé; daar werd ik al een stuk prettiger bejegend dan in voorgaande jaren.”

De afgelopen maanden kwam het wielrennen amper in het nieuws door nieuwe dopingschandalen, totdat onlangs bleek dat het Vlaamse wielericoon Tom Boonen op cocaïnegebruik was betrapt. Wat moet het publiek daar nu weer van denken?

Bruyneel: „Dat heeft niets met doping te maken. Boonen nam cocaïne in zijn vrije tijd en daar oordeel ik niet over, zoals ik ook niet zou oordelen wanneer hij een nieuwe vriendin had of dronken op een party rondliep. Omdat hij een publieke figuur is en alles in het huidige topsportklimaat wordt uitvergroot, is dit voorval echter niet ideaal. Maar hij heeft niemand vermoord en dus is het goed dat zijn sponsor hem niet laat vallen.”

Dan, fel: „Toch heeft de Tourorganisatie hem een startverbod opgelegd. Ik ben niet neutraal en evenmin Tom zijn beste vriend, maar kan iemand mij uitleggen waarom Gerolsteinerrenner Stefan Schumacher wel in de Tour mag starten? Die had teveel gedronken, veroorzaakte een auto-ongeluk en bleek amfetaminen in zijn bloed te hebben. Is dat soms consequent van de ASO? Overigens zou er helemaal geen geval-Boonen of -Schumacher moeten zijn. Wat zij in hun vrije tijd doen is hun zaak.”

Over de dopingproblematiek zei oud-wielrenner en columnist Peter Winnen vorig jaar in het internetmagazine Meander dat een nultolerantie haast onmenselijk is. Wanneer een ronderenner als patiënt behandeld dient te worden, moet dat kunnen, aldus Winnen, die zelf getracht heeft om het taboe rond het ‘D-woord’ (door wijlen oud-wielrenner Gerrie Knetemann ook wel omschreven als ‘ut’) in de wielrennerij te doorbreken.

Toch lijkt Bruyneel het niet met Winnens visie eens: „Als een medicijn op een dopinglijst staat, moet je er niet aan beginnen, er zijn immers voldoende alternatieven.” Maar ligt de zaak niet wat gecompliceerder? Stel: een wielrenner fietst snotverkouden in de Alpen. Een neusspray kan dan al tot problemen leiden. „Van die heksenjacht moeten we inderdaad af. Er zijn bijvoorbeeld ‘onschuldige’ medicijnen met een ingrediënt dat als conserveringsmiddel gebruikt wordt. Maar dat ingrediënt zelf kan op een dopinglijst staan. Als de douane zo’n middel gaat ontleden, kan het gebeuren dat ze een onderzoek tegen je starten en dat ze je uit de Tour smijten. Ik heb het meegemaakt met kinderaspirine; niet bepaald een prestatie verhogende middeltje, maar je kunt er wel door in de problemen komen omdat daar zo’n stofje in zit.”

„Al met al denk ik dat de wielersport momenteel een van de cleanste duursporten is. Men tracht het dopinggebruik met alle mogelijke middelen te bestrijden. Maar omdat er veel gecontroleerd wordt, zullen er ook meer gepakt worden en dan krijg je weer die verhalen dat de sport vuil zou zijn. Dat moet dan wel in de juiste context worden geplaatst. Als een andere sporter betrapt wordt, levert dat twee regels in de krant op, bij een wielrenner is dat al snel een hele pagina.”

Feit is dat Alberto Contador zijn ploeg Astana ondanks alle dopingverhalen tot dusver veel positieve reclame heeft opgeleverd. En de Madrileen mag dan een ander type renner zijn dan Armstrong, Bruyneel denkt dat Contador wel degelijk de opvolger van de zevenvoudige Tourwinnaar kan worden. De Belgische wielermanager kan het weten. Hij herkende in 1998 de ruwe Tourdiamant in Lance Armstrong, die toen net een comeback maakte na zijn strijd tegen kanker.

„Tot zijn ziekte was Armstrong vooral een eendagsrenner. Maar na zijn terugkeer in het peloton werd hij meteen tiende in de Ruta del Sol en daarna vierde in de Vuelta de España. Ik dacht toen: als die man zó terugkomt, moet hij met doelgerichte training de Tour kunnen winnen. We gingen samen aan de slag en het volgende jaar arriveerde hij in het geel in Parijs.

„Contador is een groot talent en mentaal zeer sterk. Met wat meer uithoudingsvermogen en ervaring zal hij een nog betere ronderenner worden. Zijn tijdrit kan ook wat beter, maar ik wil niet dat hij een specialist wordt, want dan raakt hij waarschijnlijk explosiviteit kwijt in de bergen.”

Bruyneel zwijgt even, en schiet dan in de lach: „Alberto moet wel niet te dominant worden, anders krijgen we weer hetzelfde probleem als met Armstrong.”

De Astana-baas blijkt evenwel niet geobsedeerd door nieuwe successen. Er is ook een leven naast het wielrennen, al blijft de fiets een hoofdrol spelen. „Ik probeer zo gelukkig mogelijk te zijn en mij ook voor anderen in te zetten. Zo werk ik mee aan ‘World Bicycle Relief’, een project waarbij fietsen geschonken worden aan mensen in rampgebieden. Na de tsunami heeft onze organisatie in Sri Lanka dertigduizend fietsen geleverd om families weer mobiel te maken. Dat bleek een groot succes en momenteel zijn we met iets soortgelijks bezig in Zambia. Ik heb zelf alles te danken aan de fiets en ik vind het mooi om via die fiets nu iets terug te kunnen doen.”