Chantage met kunst

Hoewel het einde van de oorlog inmiddels al 53 jaar geleden is, komen er steeds verdergaande claims op kunst die tijdens het naziregime uit Joods bezit is geroofd of verkocht. Die claims blijven niet meer beperkt tot omstreden kunst die in het bezit is van de overheid. Ook particulieren die te goeder trouw zijn, worden erdoor getroffen. De landen die eind 1998 in Washington vastlegden dat Joodse holocaustslachtoffers of hun nazaten recht hadden op teruggave van kunst die uit hun bezit was geraakt, gingen nog niet zo ver. Zij konden alleen beloven dat omstreden kunst die in bezit van de overheid was, zou worden teruggegeven, om fouten uit het verleden zoveel mogelijk recht te zetten. Maar zij konden moeilijk hun burgers, die vaak niet op de hoogte waren van de herkomst van door hen aangekochte kunstwerken, verplichten om deze af te staan. Dat zou een schending zijn geweest van eigendomsrechten.

Toch is vooral in de Verenigde Staten een ware industrie ontstaan van onderzoekers en advocaten die over de hele wereld ook van particulieren kunstwerken terugeisen, meestal ten bate van nazaten van holocaustslachtoffers. De staat New York heeft zelfs een speciaal bureau opgericht om claimanten bij te staan. Speurneuzen reizen de wereld af op zoek naar kunstwerken die tijdens de nazitijd door verkoop of door roof uit het bezit van Joden zijn geraakt. Erfgenamen, die vaak niet eens iets vermoeden, worden van de claimmogelijkheden op de hoogte gesteld. Dat heeft ertoe geleid dat in Nederland twee erfgenamen van holocaustslachtoffers van plan zijn honderden kunstwerken te claimen, terwijl ze wisten dat die in 1940 bij een veiling veel geld hadden opgebracht voor de familie. Ze werden door internationale onderzoekers op het idee gebracht om de eenmaal verkochte kunstwerken nog eens te claimen. Juridisch gesproken hebben de claimanten dat recht niet. Ze kunnen hun claim alleen aan een oordeel van de Restitutiecommissie onderwerpen als de huidige eigenaar daarin toestemt. Maar de werkelijkheid is dat kunstwerken die eenmaal als besmet zijn gesignaleerd, niet meer op een veiling kunnen worden verkocht. Met dat argument worden de eigenaren onder druk gezet om een regeling te treffen, waarmee ook de tussenpersonen worden gehonoreerd.

Een dergelijke praktijk kan de ontwerpers van de regelingen tot teruggave nooit voor ogen hebben gestaan. In de meeste gevallen is teruggave van in de oorlog geroofd bezit legitiem geweest, ook in Nederland. Het heeft ook te lang geduurd voordat de Nederlandse overheid erkende wat de Joodse bevolking tijdens de Duitse bezetting is aangedaan. Vandaar dat, onder andere ter compensatie van niet teruggegeven tegoeden van Joodse oorlogsslachtoffers, door banken, verzekeraars en de overheid terecht uitkeringen zijn verstrekt aan Joodse overlevenden of hun erfgenamen.

Maar het onder druk zetten van particulieren die te goeder trouw hun kunstwerken in bezit hebben gekregen, gaat te ver. Ook de kunsthistoricus Rudi Ekkart, die aan de wieg staat van het beleid voor teruggave, verwierp gisteren in deze krant het onder druk zetten van particulieren om hun bezit af te staan. Dat kan zelfs trekken krijgen van morele chantage. De weigering om op hun eisen in te gaan, wordt door sommige claimanten opgevat als antisemitisme of als het ontkennen van de holocaust.

Deze uitwassen werpen een smet op de praktijk van teruggave van kunstwerken en vergoeding voor verloren tegoeden van Joodse oorlogsslachtoffers. De Restitutiecommissie die zich in Nederland buigt over claims voor teruggave van kunst, zou zich ertegen moeten uitspreken. Wellicht kunnen veilinghuizen juridisch worden aangesproken op hun weigering om rechtmatig verworven werken te verkopen. Ook in de Verenigde Staten, waar de ergste praktijken vandaan komen, worden degenen die teruggave eisen lang niet altijd door de rechter in het gelijk gesteld. Anders zit er voor particulieren die ten onrechte zo onder druk worden gezet, niets anders op dan te wachten tot 2015, wanneer de verjaring definitief een punt zet achter de teruggaven.