Weg met ons

Op de tentoonstelling ‘Nature as Artifice’ in het Kröller-Müller Museum laten achttien kunstenaars zien dat de natuur in Nederland nauwelijks meer iets voorstelt. Maar soms betrapt een fotograaf dat overgereguleerde landschap toch op onbedoelde schoonheid.

Op de tentoonstelling Nature as Artifice in het Kröller-Müller Museum in Otterlo zijn tientallen foto’s en films te zien die allemaal gaan over het landschap in Nederland. Snelwegen, polderslootjes, kustlijnen, rotondes, kantoorgebouwen, hoogspanningsmasten en weilanden – ze zijn er allemaal. Nadat ik er een tijdje had rondgelopen, begonnen de klassieke regels uit J.C. Bloems ‘De Dapperstraat’ als een mantra door mijn hoofd te pruttelen:

‘En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.’

Jahaa, die Bloem, dacht ik, dat was nog eens een romanticus. Of was het in de jaren veertig nog zo veel anders? Tegenwoordig, zo laat Nature as Artifice overtuigend zien, zou een stukje bos ter grootte van een krant al een hele aanwinst zijn – in aanmerking genomen tenminste dat we het dan over echt bos hebben. Niet die aangeplante, voorgeharkte, bijgesnoeide en suf geknuffelde groenvoorzieningen die in dit land voor ‘bos’ moeten doorgaan.

In dat opzicht is het ook tamelijk ironisch dat Nature as Artifice juist wordt georganiseerd in het Kröller-Müller Museum, dat is gelegen in het grootste ‘bos’ dat Nederland rijk is. De naam van dit bos zegt eigenlijk al hoe we er tegenaan kijken: ‘Het Nationale Park De Hoge Veluwe’ is geen bos, maar een uitgestrekt park waar, na inspanningen van vele decennia, de natuur zo overtuigend mogelijk wordt geïmiteerd.

Als je naar het Kröller-Müller rijdt, wordt al meteen duidelijk hoe dat mechanisme in zijn werk gaat. Aan de ene kant zijn er ‘natuurlijke’ elementen als bomen, planten en ‘wilde’ dieren (herten en zwijnen). Aan de andere kant is die ‘natuur’ volledig ingepalmd en toegesneden op menselijk gebruik: overal liggen strak gelijnde paden, er is wellustig gestrooid met bordjes en witte fietsen en de ‘wilde dieren’ sukkelen er duffig tussendoor (als ze tenminste niet worden afgeschoten) waarbij er door wildroosters en hekken zorgvuldig voor wordt gewaakt dat ze niet in de buurt van de bewoonde wereld komen.

Aangeharkt, afgedekt en bijgeschaafd – inderdaad: wat is natuur eigenlijk nog in dit land?

Precies dit dilemma, die spanning

tussen natuur en cultuur, keert terug in elke vezel en pixel van Nature as Artifice. De achttien fotografen en videokunstenaars (van Hans Aarsman en Wout Berger tot Marnix Goossens, Gert Jan Kocken, Edwin Zwakman en Frank van der Salm) lijken stuk voor stuk uitgekozen om te laten zien dat natuur in Nederland nauwelijks meer wat voorstelt. Sterker nog: die boodschap wordt er ongenadig ingeramd. Laat iedere illusie varen, waarde toeschouwer. In Nederland is alles gereguleerd. Hekken, dijken, polders en ruilverkaveling. Geen ontsnappen mogelijk. En zelfs als je even denkt wat te kunnen verwijlen bij een plantje of een stukje bos op krantenformaat, wordt die illusie onderuitgehaald.

Neem de foto’s van Wout Berger waarmee de tentoonstelling opent. Op het eerste gezicht tonen die van die typische natuurgrensgevallen waarmee Nederland vol staat: lange, uitgestrekte weidevelden, wat slootjes en een paar schriele bomen, met daar tussendoor een tractorspoor en een huis of een schuur – Groningen, Culemborg, Alphen aan den Rijn. Het venijn zit echter onder de oppervlakte: Bergers foto’s tonen steevast plekken waar de bodem zwaar is vervuild en dus gesaneerd moet worden. Maar dat zie je dus niet. Je kunt het niet zien.

Het effect van die kloof is tweeledig: aan de ene kant besef je hoezeer zelfs de meest ‘natuurlijk’ ogende landschapjes in Nederland door de mens worden beheerst, aan de andere kant dat het gevaar vaak onzichtbaar is en overal kan loeren – geen prettige constatering. Dat wordt nog eens bevestigd door Bergers werk op de wand er tegenover: een grote foto van weelderig bloeiende paarse, gele en rode bloemen uit zijn serie Roadside flowers. Ook hier is het bijschrift genadeloos: de bloemen blijken van overheidswege langs de weg te zijn ingezaaid om een ‘ecologisch verantwoorde, natuurlijk ogende bloemenpracht teweeg te brengen’.

Zucht.

Want dat is het curieuze aan deze nadruk op kunstmatigheid op Nature as Artifice: dat je al na enkele exposanten volkomen murw geslagen bent. Natuur in Almere (Marnix Goossens). De ontwikkeling van Hoofddorp (Theo Baart). De snelweg als dagelijkse biotoop (Cary Markerink en Theo Baart). Natuurlijk, voor de toeschouwer die het moderne gedweep met alles wat maar zweemt naar groen en natuurlijkheid steeds moeilijker kan verdragen is deze deconfiture een bijna triomfantelijke ervaring. Het mag best eens worden gezegd dat wij met z’n allen een plat geharkt cultuurlandschap hebben gecreëerd waar elke boom en bloem en grasspriet aan wettelijke regels en bepalingen en schoonheidscommissies voldoet. Maar tegelijk is het moeilijk te verdragen dat de consequentie van dit besef blijkbaar meteen een bijna wellustig defaitisme is, waar je verder weinig mee opschiet. Het is net zoiets als met het besef dat we allemaal doodgaan of collectief van de apen afstammen: je weet het, je wilt het best erkennen, maar als je er langdurig mee om je oren wordt geslagen, verandert het bestaan wel heel definitief in een zuigende, illusieloze modderpoel.

Maar wat nog erger is: het gevolg

van deze redenering is dat de mens het nooit meer goed kan doen. De impliciete gedachte achter een tentoonstelling als Nature as Artifice is namelijk dat de westerse mens in het algemeen en de Nederlander in het bijzonder geen deel meer uitmaakt van de natuur. Dat hij door het feit dat hij zoiets als een ‘geest’ heeft zich van de natuur heeft losgemaakt en al zijn handelingen en producten tot de aparte categorie van de ‘cultuur’ gerekend moeten worden. Voor dat idee is best wat te zeggen, ware het niet dat juist de starheid van die scheiding tussen ‘natuur’ en cultuur’ voor veel ellende zorgt. Sterker nog: het lijkt erop dat een tentoonstelling als Nature as Artifice mede voortkomt uit de hardnekkige zelfhaat die de afgelopen jaren tot bloei is gekomen onder mensen die zichzelf als natuurliefhebbers beschouwen. Zij verkondigen een steeds luider ‘weg met ons’, simpelweg omdat ze de mens beschouwen als een natuurvreemd wezen dat alleen maar aan zichzelf denkt. Dat juist dat egocentrisme wel eens zou kunnen voortkomen uit natuurlijk, evolutionair bepaald gedrag komt nauwelijks in hen op. (Overigens moest ik op Nature as Artifice een aantal keren denken aan die ‘wilde indianen’ die onlangs in de bossen op de grens van Brazilië en Peru werden gefotografeerd. Ze waren rood beschilderd en richtten pijl en boog op het vliegtuig. Ze woonden in grote hutten van riet en hout. Zijn deze indianen eigenlijk wel ‘natuur’?) In dat opzicht lijkt Nature as Artifice dus een perfecte verbeelding van de tijdgeest.

Maar toch, en dat is wat de expositie intrigerend maakt, is er in Otterlo voor de toeschouwer die zich niet in de dwangbuis van de zelfhaat laat dwingen, wel degelijk verlichting te vinden. Die zit steevast op dat breukvlak tussen natuur en cultuur, het punt waar de natuur niet per se als idyllisch wordt voorgesteld en de mens zijn eigen feilbaarheid en kwetsbaarheid onder ogen ziet.

Neem de fotoreeks die Hans van der Meer in het midden van de jaren negentig maakte op allerlei voetbalvelden – provinciale voetbalvelden, wel te verstaan. Op het eerste gezicht zijn het nogal lullige documentairefoto’s van voetballers aan de onderkant van het amateursegment: majestueuze bierbuiken in kaal getrapte strafschopgebieden, volwassen spelers die nauwelijks boven de cornervlag uit komen, zelden een toeschouwer langs de lijn. Deze onbeholpen, maar sympathieke wezens botsen echter op aandoenlijke wijze met het Nederlandse cultuurlandschap waarin ze spelen: steeds is de horizon recht als een doellijn en de bomen, strak in het gelid, echoën in de betonnen hekposten, zodat de voetballers wel iets krijgen van indianenstammen die een primitief ritueel uitvoeren. Bij Van der Meer is cultuur geen kil vertoon van superioriteit, maar een moeizame worsteling met de menselijke beperkingen, wat zijn foto’s zelfs iets melancholisch geeft.

Diezelfde combinatie van toeval en kwetsbaarheid zit ook in de foto’s van Gerco de Ruijter, maar dan op een heel andere manier. De Ruijter werkt al jaren volgens hetzelfde procedé: hij hangt een camera aan een vlieger, laat die op en maakt vervolgens vanuit dat standpunt foto’s van het landschap. De Ruijter legt daarbij een voorkeur aan de dag voor de landschappen op het breukvlak van cultuur en natuur: geploegde akkers, aangeplante boomgaarden, polderlandschappen met een verlaten weggetje er tussendoor. Maar juist doordat hij fotografeert vanaf een standpunt dat in het normale leven zelden zichtbaar is, is het net of hij de wereld voortdurend op onbedoelde schoonheid betrapt – noem het gevonden schilderijen. Juist die toevalligheid en onbedoeldheid geeft zijn foto’s een onverwachte ontroering: blijkbaar kan de mens iets moois maken zonder het zelf in de gaten te hebben. Is dat dan natuur of cultuur?

Het troostrijkste werk

op Nature as Artifice is de korte film Frankendael 2001 van Driessens en Verstappen. Het idee van het duo was simpel: gedurende een jaar maakten zij een foto in het Amsterdamse Park Frankendael, telkens op dezelfde plek. Die foto’s lieten ze door een speciale techniek in elkaar overlopen tot een film van negen minuten waarin we de seizoenen voorbij zien trekken. Daarbij moet worden aangetekend dat Frankendael een soort kleine en geïntensiveerde versie van de Hoge Veluwe is: de ‘natuur’ is er als het ware nog verder gecomprimeerd, maar is daardoor ook dwingender en intenser. Voor hun film zochten Driessens en Verstappen een prachtige plek uit: op de voorgrond staat een kleine knotwilg tussen het riet, daarachter een romantisch watertje, waar, om het plaatje af te maken, vanaf de overkant een scheve boom dramatisch overheen helt.

Frankendael 2001 begint in de winter als het water is dichtgevroren en overal een dun laagje sneeuw ligt. Langzaam verschijnt het groen, dat groeit en het beeld vult; uiteindelijk is het zo weelderig dat je het zicht op watertje en boom volledig wordt benomen. Ondertussen blijven de kleuren veranderen, groen wordt groener, er komt wat geel in – en ineens vallen er gaten, geel wordt bruin, totdat in de herfst alles weer bijna terug is bij af, op de sneeuw na.

Het wonderlijke van deze film is dat er een enorme geruststelling van uitgaat: hoe kunstmatig dit landschap ook is (wat je bij het kijken voortdurend beseft) in die kunstmatigheid blijven de wetten van de natuur gewoon doorgaan. Niets of niemand kan zich eraan onttrekken, geen plant, geen mens. En het is nog mooi ook. Misschien is dat wel een soort les die Nature as Artifice wil leren: dat wij mensen, in al onze hoogmoed, juist kwetsbaar blijven, omdat we evengoed uit de natuur voortkomen.

Thuis heb ik er J.C. Bloem nog maar eens op nageslagen. En verdomd, in de derde strofe van ‘De Dapperstraat’ stond:

‘Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.’

Ja, de cultuur, die vermag wat.

Nature as Artifice. T/m 28 september in het Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. Di t/m zo 10-17u. Inl: www.kmm.nl