Is het geen idee om onze groep de Perenclub te noemen?

Lieve Gerrit,

In een luim, die meliger was dan ik besefte, gooide ik wat balletjes op en ziet! – daar ving jij ze op. Ik ben echter wel verbaasd dat jij schrijft dat goeie literatuur onontkoombaar laat zien dat mensen sukkels zijn die soms onze deernis en vaker niet verdienen. Literatuur hoeft niet aan voorwaarden te voldoen, literatuur is de triomf van de sukkel die de mens is of kan zijn over zijn eigen sukkeligheid dankzij zijn verbeelding. Om als mens onze deernis al dan niet te verdienen, hebben wij de literatuur niet nodig. Daar hebben we de mens al voor, dank je wel.

Wat jij schrijft over hoera-literatuur onderschrijf ik volkomen, in die zin dat literatuur mag juichen, sukkelen, strompelen, hikken, blunderen, klaarkomen en noem maar op, zolang zij maar niet een routebeschrijving wordt naar juichen, sukkelen, strompelen, hikken, blunderen, klaarkomen en noem maar op. Dat zou betekenen dat literatuur ons een spiegel voorhoudt en van deze notie word ik onpasselijk.

Tot zover de huishoudelijke mededelingen.

Met Menno Wigman (wiens initiatief het was), Pieter Boskma, Joris van Casteren en uw nederige dienaar heb ik laatst gedineerd. Bedoeling is dat we maandelijks bij elkaar komen. Aangezien er al een herenclub bestaat, is er het idee geopperd om onze groep De (Toffe) Perenclub te noemen. Kijk, zo komt het wel goed met de literatuur in Nederland (hoera!). Contributie is niet vereist. Gewichtigheid is niet nodig. Ik zal es vragen of jij ook mee mag doen.

Pieter heeft een nieuw boek uit. Ik ben het aan het lezen. Joris zwoegt aan een boek. Ik heb het manuscript gelezen. Menno is ook aan de arbeid. En ik, ik werk, voor wat het waard is, aan een roman. Kijk, zo komt het – dat heb ik al gezegd.

Een operalibretto, dat mij twee depressies en enige inzinkingen heeft gekost en waarvoor ik de roman een jaar lang (365 dagen) opzij heb moeten schuiven, heb ik ingeleverd. Toen begon het gezeur pas echt. De regisseuse ontpopte zich, plotsklaps en wonderbaarlijk genoeg, tot een medelibrettist. Of wilde zich ontpoppen tot een librettist; ik heb voor mijn product moeten vechten. Laten we eerlijk zijn: voor een opera zijn een schrijver en een componist (dat wil zeggen, wanneer een componist niet zijn eigen ‘boekje’ schrijft) onontbeerlijk, maar een regisseur niet.

Met vrouw en kind heb ik een middag aan het strand verwijld. Het woei en de zon was een onwillige bezoeker, alsof hij aan zijn jaspanden getrokken moest worden om een kroeg binnen te komen. (Ik zou willen dat de zandkorrels tussen mijn regels te voelen waren zoals zij nog vastkleven aan mijn oren en tussen mijn haar.) In de stad was het niet anders, hetgeen natuurlijk de mensen er niet van weerhield in zomerkleding rond te lopen en de terrassen te bevolken. Eén ding moet je de Nederlanders nageven: als de zomer geen zin heeft, dan maken zij wel zin.

Ik ging, na lange tijd, weer naar ‘het café aan het eind van het alfabet’ (M. Wigman) (zo sluipt een kroeg, al is het via een metafoor, mijn brief en leven altijd wel binnen) waar ik Johannes en Allard zag. Johannes leunde mediterraans op zijn wandelstok, Allard is in de ban van China, hij reist er binnenkort weer naartoe. Je moest de hartelijke groeten hebben van beiden. Bij dezen.

Voor zover de roddels.

Veel liefs, Hafid

PS. Johannes is Johannes van Dam en Allard Allard Schröder.