Ik ben jaloers. Op de club en op het café.

Lieve Hafid,

Als je gedeprimeerd bent, probeer ik je op te fleuren en vang ik je balletjes op door er een uitspraak tegenaan te gooien die groter is dan degene die hem uitspreekt. De uitspraak zou ook verkleinend of relativerend kunnen zijn, evenzogoed opbeurend, maar door de wereld rechttoe-rechtaan te bekijken, in de juiste verhoudingen, gewoon zoals ze is, daar bestrijd je geen meligheid mee. Er moet worden uitvergroot (‘ziedaar’) of geminiaturiseerd (‘nou, nou’), anders komt de pleegzuster in me niet aan haar trekken.

Ik weet heel goed dat literatuur nergens aan hoeft te voldoen en geen lessen hoeft te leren. Wat ik wilde beweren is dat schrijven een neurotische aangelegenheid is, en geen therapeutische. Maar als een schrijver zin heeft om te bewijzen dat een vierkant rond is, dan bewijst hij dat toch? Als een schrijver vindt dat hij de mensen moet ontluizen en geselen, en als hij wil dat de hele wereld en geen vierkante centimeter minder daarvan goed op de hoogte raakt, dan stelt hij zijn verbeelding toch in dienst van die taak?

De schrijvers om wie ik enigszins geef, zeg maar Börne, Tucholsky, Heine, Multatuli, waren, als je het goed bekijkt, aan één stuk door in de weer met routebeschrijvingen voor de legioenen sukkels om hun voeten. De thema’s waarover ze het hadden, de mensen die ze achtervolgden en aanklaagden, de routes die in hun hoofd stonden getekend, ze zeggen ons volstrekt niets meer. Fini, begraven, gewist. Dat heeft het vuur van hun proza nauwelijks gedoofd. Het is de drift die telt, niet de doelwitten van de drift.

Jawel, als nu je spiedend oog ontdekt dat ik erbarmelijk bezwijk voor het verachtelijk binnensluipen van een gruwelijk begrip voor het nephuwelijk tussen maatschappij en literatuur, dan kon je daar wel een beetje gelijk in hebben.

Wie te lang alleen is, zonder jongensclubs en cafés vol vrienden, bezwijkt vaker voor onmogelijke ideeën. Wie te lang tegen zichzelf kletst, wordt snel een zot. Ik ben dus jaloers.

Op de club en op het café.

Ga alsjeblieft vragen of ik mee mag doen. Beter een peer dan een heer. Ik zal beloven dat ik er nooit zal zijn.

In mijn leven houdt het verlangen naar gezelschap en de afkeer van gezelschap gelijke tred. Zoals ook mijn verlangen naar een huis vol kinderen en mijn walging van een huis vol kinderen in hevigheid niet voor elkaar onderdoen. Het blijft sukkelen.

Soms, na de zoveelste zonsondergang in de bergen, verlang ik naar een instelling zoals jij die noemt. Café De Zwart, het café dichtbij het eind van het alfabet, maar verdomd ver van het eind van de tunnel. Er worden daar lullige dingen geroepen door mensen die zich hebben voorgenomen een hele avond lang zo veel mogelijk lullige dingen te roepen. Er wordt daar victorie gekraaid door schatten die voor de derde keer een aanmoedigingsprijs hebben gewonnen. Heerlijk zwemwater.

Tegelijk schrik ik ervan, dát je daar weer te veel zou rondhangen en zo. Voor zoiets moet je, net als Adri van der Heijden, over paladijnen beschikken die je cafébezoek in het juiste perspectief plaatsen. Heb je het interview met die club in Vrij Nederland gelezen? Ze schetsen hoe Adri zich met de grootste moeite naar het café sleept om zich daar bij wijze van opoffering en geheel in dienst van de muze neer te zetten, een toonbeeld van heroïsche schizofrenie. Hij moet wel, anders komen zijn boeken er niet. De yin van de kroeg en de yang van het oeuvre. Heen en weer geslingerd, zoals alleen de grootsten der aarde heen en weer worden geslingerd. Als jij in het café zit, zal ik, al mijn paladijn- en pleegzusterschap ten spijt, alleen maar zeggen: „Hij zit daar en doet niks.”

Breng Johannes en Allard, en Adri vanzelf, de meest gemeende groeten over, en tegelijk ook Menno en Pieter en Joris, wat hou ik van ze,

je Gerrit