Het komt nooit meer goed tussen de feiten en het beeld

Ik werd wakker vanuit een diepe slaap en was me nog amper bewust van het feit dat ik ontwaakte. Niet veel later begon het te dagen dat ik iemand was die in een bed in een kamer lag. Ik moest een naam hebben en ik moest me op een specifieke plek op aarde bevinden. Ik wist dat ik een man of een vrouw moest zijn, met een bepaalde leeftijd, eigenschappen, voorkeuren en gewoontes die me een zekere levensinvulling zouden geven.

Dit langzaam ontwaken kan maar een korte tijdspanne in beslag hebben genomen, maar ik raakte verdwaald in een eeuwigheid. In mijn half bewuste toestand kon ik iedereen zijn en ik kon me overal ter wereld bevinden.

Na de euforie van het besef dat ik alle mogelijke mensen kon zijn, beving me de angst dat ik misschien wel een van hen wás. Ik begon te hunkeren naar de feiten, ik smeekte mijn ontwakende geheugen om helderheid, want alles leek me beter dan allerlei specifieke mensen te zijn. Langzaam maar zeker druppelden de feiten in mijn hoofd, tot zich een voor mij herkenbaar bewustzijn vormde. Nog steeds ben ik opgelucht dat ik tot mezelf ben gekomen, maar wat ik niet van me af kan schudden is de gedachte dat het feit dat ik hier nu zit, aan deze tafel, op dit specifieke uur, een onoverzichtelijk groot toeval is.

Eenzelfde overweldigende sensatie ervaar ik bij het kijken naar het werk van Gert Jan Kocken. In de serie foto’s die hij maakte over rampplekken, vanaf 11 juli te zien in 21Rozendaal in Enschede, biedt hij zijn toeschouwer de mogelijkheid om zich bewust te worden van het onvoorstelbare toeval dat elk leven aaneenrijgt, en noodlottig kan worden. Maar hij was vooral op zoek naar wat hij altijd nastreeft: het maken van wat hij noemt ‘levend beeld’. Hij wil beeld produceren waarbij de toeschouwer zich blijft afvragen: hoe moet ik hiernaar kijken? Kocken wil ook zichzelf die vraag kunnen blijven stellen. Hij geeft geen antwoorden, maar deelt zijn vragen met de toeschouwer.

Voor Kocken is een werk geslaagd wanneer hij kan stellen dat het nooit meer goed komt tussen het beeld en de feiten. De discrepantie tussen die twee moet zodanig zijn dat de kennis over wat je ziet niet te rijmen valt met dat wat zich voor je ogen afspeelt. Bij het kijken naar de foto van het schitterende Alpenlandschap bij Tauern kan ik verdwalen in een idylle, als de door Kocken bijgeleverde informatie me niet belemmerde: 29 mei 1999: een vrachtwagen die verf vervoert komt in botsing met een personenwagen. In de daarop volgende brand komen twaalf mensen om het leven. Is de plek eigenlijk wel zo mooi? De dennen zijn grijsgroen, de Alpen erachter zijn bleek. Dit is allesbehalve een idylle. Hier dreigt de grootmacht van de natuur, alles overweldigend, en elk individu uitvagend. Of zie ik dat alleen maar, omdat ik de mensen die hier zijn overleden niet uit mijn hoofd kan krijgen?

Kocken heeft het voor elkaar: het komt nooit meer goed tussen de feiten en het beeld. Dat wat ik weet en dat wat ik heb gezien, weigeren in mijn hoofd een geheel te vormen. De Alpen en de brand zijn als deuren naar een balkon. Ik wrik en ik duw, maar ik kan ze niet sluiten. De ruimte tussen de wringende deuren is waar het werk van Kocken zich in beweegt.

Maria Barnas