Het fonds deelt uit: klappen en tonnen

Woede en verbijstering, weggevaagde toneelgroepen, kunstenaars die de noodklok luiden of van ellende een bak bami leeg lepelen; het was business as usual toen deze week het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten zijn „conceptadviezen” verstuurde naar 290 festivals, muziekensembles, theater- en dansgroepen die vierjarige subsidie hadden aangevraagd.

Net als iedere vier jaar werd de subsidie van een aantal groepen beëindigd, om plaats te maken voor andere groepen. Net als iedere vier jaar vallen er een paar opmerkelijke slachtoffers, zoals Theu Boermans’ Theatercompagnie. Net als iedere vier jaar is de ophef groot, en valt de definitieve beslissing pas later en in relatieve rust, rond 18 augustus in dit geval.

Op het eerste gezicht is er dus niets veranderd. Dat is opvallend want dit is de start van een nieuw subsidiestelsel. Vanaf 2009 subsidieert de minister alleen rechtstreeks de instellingen die hij van levensbelang acht voor de Nederlandse cultuur. Zij komen in de ‘basisinfrastructuur’. Alle anderen krijgen hun geld van fondsen, waarvan die voor Podiumkunsten het grootst is. Het idee van deze tweedeling is dat de minister voortaan de continuïteit van culturele voorzieningen in de gaten houdt, terwijl het fonds voor meer doorstroming van gezelschappen zorgt. Wat daarbij helpt, is dat het fonds aan niemand verantwoording aflegt, en dus slagvaardiger kan toeslaan.

Dat is meteen te merken, het fonds maakt scherpere keuzes dan de minister en zijn adviesorgaan, de Raad voor Cultuur. Bij een gelijkblijvend budget grepen die naar de kaasschaaf: iedereen een beetje minder. Het fonds laat echter groepen hard vallen, maar laat ook veel nieuwe groepen toe, en geeft andere veel meer geld. Vooral de schaal hiervan valt op. Sommige zien hun subsidie ineens met tonnen tegelijk omhoog schieten en zelfs verdubbelen: Julidans, Emio Greco, Dood Paard, het Nederlands Blazers Ensemble, Combattimento Consort, Hotel Modern. Je hoort ze minder, maar de lijst gelukkigen is langer dan die van afvallers. Op de keuzes valt van alles af te dingen, maar dat het fonds werk maakt van zijn wapenspreuk ‘Meer voor minder’ is lovenswaardig.

Wat niet wegneemt dat een aantal groepen duidelijk slachtoffer is van de stelselverandering. Het Internationaal Danstheater, de Theatercompagnie, het Nederlands Kamerkoor en het ensemble Asko/ Schönberg zouden gezien hun vaste en dure waarde eigenlijk tot de basisinfrastructuur moeten behoren. Het eigengereide fonds heeft geen boodschap aan continuïteit en geeft ze een korting, of zelfs een afwijzing. De groepen vallen tussen wal en schip.

Geheel tegen het idee van doorstroming in, steunt het fonds de wederopstanding van Maatschappij Discordia; een toneelgroep die zeven jaar geleden zijn subsidie verloor. Veel nieuws mag je niet verwachten van een groep die al 27 jaar lang vasthoudt aan zijn stijl. Modewoorden die het fonds koestert, als ‘publieksbereik’, worden bij het tegendraadse Discordia met hoon uitgesproken. Bewonderenswaardig rolvast is de groep: men was ontevreden over de subsidietoekenning, want het was minder dan gevraagd.