God beloven dat het nu echt de laatste keer was

Catherine Vuylsteke: Onder mannen. Het verzwegen leven van Marokkaanse homo’s. Meulenhoff/Manteau, 255 blz. € 19,95

Catherine Vuylsteke, journalist van de Vlaamse krant De Morgen, zegt in haar boek over Marokkaanse homo’s dat ze ‘niets met homo’s heeft’. Ze vindt het doodzonde als een ‘knapperd’ homo blijkt te zijn. Dat ze wel een boek over hen schreef – Onder mannen. Het verzwegen leven van Marokkaanse homo’s – komt door haar vader. Die leerde haar dat de pijn van een ander altijd ook de onze is.

En Vuylsteke is er niet zeker van dat er in het Westen nog wel genoeg aandacht is voor verhalen van moslims. Onze blik, vindt ze, is ‘vertroebeld en versmald’ door terroristen en hoofddoeken. Weten we wat het betekent om homo te zijn in Marokko of in de Marokkaanse gemeenschap in Brussel?

Dat weten we, denk ik. Of we kunnen ons het leed op z’n minst voorstellen. Maar dat maakt het boek van Vuylsteke, die zestien homo’s interviewde, niet minder belangrijk of bijzonder.

In het begin vraagt Vuylsteke zich af waarom moslims, anders dan de meeste christenen en Joden, nog steeds zo’n afkeer hebben van homo’s. Een deel van het antwoord geeft ze meteen zelf: westerse homo’s reageerden op de religieuze afkeuring met afvalligheid. Van de islam kom je minder makkelijk af. Andere mogelijke verklaringen zitten in de verhalen zelf. Bijna steeds gaan die over ‘de gemeenschap’, het dorp, de familie – als die je niet accepteert, overleef je niet.

Zoals Hassan. Op zijn achtste, schrijft Vuylsteke, liet zijn moeder hem ‘achter in een hol waar de zon nooit komt, tussen het materiaal waarmee de traditionele Marokkaanse babouches worden gemaakt, en al gauw ook tussen de dijen van de meester’. Na vijf jaar ontsnapte hij, maar toen was het te laat. ‘Hassan was geen leerbewerker, maar een zamel geworden, een smerige flikker, of zoals hij het zelf met neergeslagen ogen tegen me zegt: „Iemand die nu de gewoonte heeft”.’ En er viel aan te verdienen. Zijn moeder zei niets, ze accepteerde zijn geld. Maar Hassan wist dat er een ‘vervaldatum’ stond op haar zwijgen. ‘Die zou aanbreken op de dag dat anderen gingen spreken.’ Hassan kreeg aids, hij gaat dood.

Er is ook het verhaal van Abdou uit Brussel die trouwde omdat zijn vader dat wilde, kinderen kreeg, aan de drank raakte en zelfmoord pleegde. Maar lang niet alle verhalen zijn zo dramatisch. Er is een moeder, van Malek uit Rabat, die accepteert dat haar zoon homo is. Nabil uit Marrakech heeft jarenlang een behoorlijk vrij leven in een andere stad, Sami woont samen met een Fransman. Dan gaat het niet alleen over familie, maar ook over ruzies, liefdesverdriet, cultuurverschillen.

Het knappe van Vuylsteke is dat het door de spanningsboog in haar verhalen niet uitmaakt of ze over groot of klein leed gaan – je wilt steeds weten hoe het afloopt.

Dat het Vuylsteke niet om homo’s gaat, maar om de pijn en verwarring van mensen, blijkt vooral uit haar interview met Saâda, student techniek. Hij is dolblij dat Vuylsteke naar hem wil luisteren. Hij vertelt hoe hij door andere kinderen werd geslagen en bespuugd omdat hij zo braaf was op school. En: ‘Ik was een jaar of zestien toen ik mezelf erop betrapte dat ik werd aangetrokken door mannenlijven.’ Op televisie zag hij een documentaire over homo-erotische films. Dat was ‘de 11 september’ van zijn jeugd.

Daarna ging hij naar internetcafés om gaysites te bekijken, hij maakte een afspraak met een man. ‘Hij had zich allerlei scenario’s voor de geest gehaald, maar aan het zinnetje waarmee de Daad begon en dat eigenlijk alles zei, had hij niet gedacht. „Draai je om”.’ Die avond beloofde Saâda God dat dat de laatste keer was.

Maar een week later zat hij weer in een internetcafé en maakte opnieuw een afspraak.

Dan vertelt Saâda dat hij bij de parlementsverkiezingen van september 2007 op de islamitische Partij van Gerechtigheid en Ontwikkeling heeft gestemd. Vuylsteke: ‘Een politieke formatie die mensen met zijn seksuele geaardheid liefst een stenigingsdood zou zien sterven.’ Saâda wordt boos. ‘Dat hij altijd in alle opzichten een normaal mens is geweest, buldert hij, op dat ene na dan, de seksuele afwijking waar hij aan lijdt. Het is een ziekte, een beproeving. Maar hij zal dit obstakel overwinnen. Met de kracht die God hem zal geven.’

Bij het afscheid heeft hij spijt. Of Vuylsteke hem kan vergeven. ‘Je hebt veel voor me betekend.’