Een vakantieoord voor de Europese ziel

‘Indianisanten’ heetten de westerlingen die in het oosten op een paradijs hoopten.

Nu is er een meer geschakeerde studie dan Edward Saids ‘Orientalism’.

Aan het eind van de 18de eeuw zwermen de geleerden van de Royal Society in Londen over de wereld uit, gewapend met een lijst van 3.500 vragen over de landen die ze moeten exploreren. Een van de geleerden arriveert in India, waar hij negentig pakken aantekeningen verzamelt. Deze vracht aan informatie torsend, begint de geleerde te wanhopen. Uiteindelijk vindt hij rust in de hut van een uitgestotene, een paria, die hem leert dat hij de waarheid alleen in de natuur kan vinden en geluk slechts met een goede vrouw.

Zo vergaat het de geleerde althans in de novelle De Indische strohut van de Franse schrijver Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre uit 1791. Rond deze tijd gingen Europeanen ernst maken met de verovering van de wereld, met behulp van kanonnen en vragenlijsten. Ze kwamen ook in India, waar ze zich op het Sanskriet stortten en voor het eerst de klassieke Indiase teksten vertaalden. En daarmee begon India aan haar snelle opmars in de geesten van de Europeanen, die tot ver in de 20ste eeuw voortduurde.

In Europa’s India schetst de Nij-meegse historicus Peter Rietbergen het portret van een Europa dat op zoek was naar zijn wortels, of zijn alter ego, en die in India vond. Hij laat een wilde stoet reizigers, wetenschappers, schrijvers en filmers voorbijtrekken, die hun verlangens op India en andere plaatsen in de Oriënt projecteerden. Vaak zochten deze ‘Indianisanten’ een wereld die in het Westen verloren was gegaan. Zoals dat met projecties gaat, werden de thuisblijvers het meest beloond, want zij hoefden niet in het reine te komen met de verwarrende werkelijkheid. Zo was het ‘Indostan’ van de dichter Novalis slechts een bouwsteen van zijn verlangen de Europese religieuze cultuur uit het slop te halen. Novalis zag India nooit met eigen ogen – en waarom zou hij ook? Bernardin de Saint-Pierre kwam dichterbij: het eilandje Île de France in de Indische Oceaan, maar ook hij had genoeg aan de verhalen over India om zijn parabel van de geleerde en de paria te kunnen schrijven.

Voor de meesten was India dus niet meer dan een droombeeld, een luchtspiegeling, een vakantieoord voor de overspannen Europese ziel. Anderen namen er wel een kijkje, of verdiepten zich zelfs grondig in de taal en cultuur van het immense subcontinent. Zo iemand was de Oostenrijkse karmeliet Paolino a Sancto Bartholomaeo, die aan het eind van de 18de eeuw door India zwierf en er een gedegen kennis van het Sanskriet opdeed. Hij stond vooraan in een lange rij van geleerden die zich bezighielden met de merkwaardige taalverwantschap tussen het Sanskriet en de Germaanse talen en de gemeenschappelijke wortels van Europa en India. India was Europa’s gedroomde oerversie.

Het is de vraag wat we met al die beelden van India aanmoeten. Waren het oprechte pogingen iets van de Indiase werelden te begrijpen, of zelfzuchtige droombeelden van zich superieur achtende westerlingen? Of vrijblijvend exotisme? In elk geval maakten ze allen deel uit van de groeiende Europese traditie de niet-westerse landen te onderzoeken, begrijpelijk te maken en ze daarmee toe te eigenen. Kortom, een vorm van cultureel imperialisme.

Op dit punt aangeland, polemiseert Rietbergen op hoge toon met de Palestijns-Amerikaanse literatuurhistoricus Edward Said, die dertig jaar geleden met zijn beruchte werk Orientalism de wetenschappelijke wereld dusdanig heeft opgeschud dat de vloedgolven nu nog aanspoelen. Said beweerde dat veel Europese wetenschappers en schrijvers een karikaturaal en vervreemdend beeld van het Oosten hadden gepresenteerd en dat hun kennis ten dienste stond van de koloniale overheersing.

Rietbergen vindt Orientalism een irritant boek en beschuldigt Said ervan dat hij alle oriëntalistiek reduceert tot een cynisch instrument van het Europese imperialisme. Het geestige is dat Rietbergen ondanks zijn gefoeter vaak zelf als een soort Said klinkt. Alle ingrediënten van diens oriëntalisme komen in het boek aan bod: de idealisering, de toe-eigening, de wens tot categoriseren, en de relatie tussen de onderzoekers en de groeiende Europese macht, zo niet de rechtstreekse koloniale overheersing, die de beeldvorming bepaalde en mogelijk maakte.

Toch geeft Rietbergen het cultureel imperialisme van Europa veel meer schakeringen, veel meer ontwikkeling ook, dan zijn vermaledijde voorbeeld. Hij betoogt dat de belangstelling voor India ook werd gestimuleerd door de gecompliceerde genealogie van de Europese cultuur (via Rome, Griekenland naar het Nabije Oosten en verder). Ook omdat het Heilige Land buiten de eigenlijke grenzen van de christelijke wereld lag, ontvlamde in de Europeanen een verwarrende drang om de oorsprong van hun beschaving te zoeken.

Rietbergen heeft een aantal fascinerende voortrekkers van die zoektocht van het stof ontdaan en op eloquente wijze hun beelden van India ontleed. Al dat onderzoek en al die verbeelding hebben ontegenzeglijk veel kennis over India opgeleverd, maar ook evenzoveel onzin en onbegrip. Naast het gevoel van verwantschap was er immers altijd de vervreemding en de afwijzing. Zo erkende Bernardin de Saint-Pierre wel dat de filosofie ooit uit India naar Europa was gekomen, maar in de tussentijd was India wel tot barbarij vervallen. En de filmer Louis Malle moest toegeven dat hij India had gefilmd zonder het te begrijpen. India bleef onbereikbaar, alle goede intenties ten spijt.

Opkomst en ondergang van een 20ste eeuws Indiaas ideaal: www.skepsis.nl/bhagwan

Peter Rietbergen: Europa’s India. Fascinatie en cultureel imperialisme, circa 1750-circa 2000. Vantilt, 464 blz. € 32,50