Een meester in communicatie

Karel de Grote wordt gezien als een gevreesd krijgsheer die de beest uithing. Documenten schetsen ook een keizer die de eenheid van zijn rijk wist te bereiken door veel overleg.

Rosamond McKitterick: Charlemagne. The Formation of a European Identity. Cambridge University Press, 460 blz. € 26,– (pbk)

In de eregalerij van grote figuren uit de Europese geschiedenis beschikt Karel de Grote, koning van de Franken in de jaren 768-814, over een vooraanstaande plaats. Een dichter uit zijn eigen tijd noemde hem al ‘vader van Europa’. In de hoogtijdagen van de Romantiek beschouwde de literatuurcriticus Friedrich Schlegel de middeleeuwse vorst als de grondlegger van een christelijk Europa. Na de verschrikkingen van WO II spanden de grondleggers van de Europese Beweging zich in om Karel de Grote te typeren als een vredestichter en een Europeaan in hart en nieren. Tot op de dag van vandaag is de naam van Karel de Grote verbonden aan de Karlspreis, die jaarlijks in Aken wordt toegekend aan een persoon die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de Europese zaak.

Volgens Rosamond McKitterick, hoogleraar middeleeuwse geschiedenis in Cambridge en een van de belangrijkste kenners van vroegmiddeleeuws Europa, is de verbondenheid van Karel de Grote en Europa zo onontkoombaar, dat het gerechtvaardigd is om die relatie nog eens met frisse blik te bekijken. In de inleiding van haar nieuwste boek – Charlemagne. The Formation of a European Identity – schrijft zij dat ze de middeleeuwse vorst wil losschudden van de warboel aan argumenten, aannames en hypothesen die inmiddels feiten zijn geworden. En die feiten komen hier op neer: Karel was een gevreesd krijger, die onder meer de Saksen en Longobarden aan zich onderwierp. Voortdurend trokken hij en zijn talrijke hovelingen van paleis naar paleis, waar zij hun kelen smeerden en hun buiken vulden. In Italië verloste Karel de paus van bloeddorstige vijanden en in ruil daarvoor kreeg hij van de kerkvorst op Kerstdag 800 de felbegeerde keizerstitel. Daarmee was het Romeinse Rijk in het westen na dik drie eeuwen in ere hersteld.

Al die beelden zijn volgens McKitterick onjuist of bedrieglijk. In Charlemagne baseert zij zich uitsluitend op documenten die zeker uit de tijd van Karel de Grote dateren. Daarbij heeft zij zich laten leiden door de vraag hoe de vorst steeds nieuwe maatregelen bedacht om zijn almaar uitdijende rijk te beheersen. Al die besluiten brengen ons volgens de Britse historica dichter bij de idealen en verwachtingen van de vorst. Met vrucht heeft zij zich in haar aanpak laten inspireren door recente cultuurhistorische visies op symbolische communicatie en de dynamiek van rituelen.

Netwerk

In de eerste helft van zijn 46-jarige regering groeide Karel de Grote, aldus McKitterick, uit tot een meester in communicatie. Zijn bestuur berustte op een netwerk van ambtsdragers waarbij orale en schriftelijke communicatie een fundamentele rol speelden. De vorst was de ‘Great Communicator’, die vertrouwde op de doelmatigheid van velen: schrijvers, kopiisten, gezanten, graven, bisschoppen en abten. Vooral vanaf 780 werden dikwijls vergaderingen uitgeschreven, ‘briefings’, waarbij de aristocraten, zowel leken als geestelijken, nieuwtjes uitwisselden en afspraken voorbereidden over uiteenlopende aangelegenheden, zoals de christelijke doctrine of de correcte toepassing van maten en gewichten. De besluiten werden vastgelegd in capitularen. Koninklijke agenten moesten vervolgens controleren of in werkelijkheid alles naar behoren verliep. Hun rapporten werden bewaard in de koninklijke archieven.

Overtuigend toont McKitterick aan dat het paleis in Aken, zeker in de jaren vóór de keizerskroning, niet het politieke machtscentrum van Karels rijk was, alleen al omdat dit paleiscomplex tot het einde van de 8ste eeuw nog goeddeels een bouwplaats was. Dat betekent ook weer niet dat de traditionele voorstelling van een primitief ‘Reisekönigtum’, waarbij de koning voortdurend rondtrok om zijn gezag te laten gelden, veel plausibiliteit bezit. Karel de Grote steunde niet zozeer op een centrum, een onveranderlijk hof of ‘Wanderkönigtum’, maar op een pluriforme en complexe topografie van de macht, waarbij schriftelijke communicatie van grote betekenis was.

Volgens McKitterick is er nauwelijks bewijs dat Karel de Grote een nietsontziende krijgsheer of empirebuilder was. Zijn koningschap van de Longobarden was eerder het resultaat van een coup d’état dan van een verovering. De Longobarden kenden een gekozen koningschap en een groot deel van de adel opteerde hoogstwaarschijnlijk voor Karel als nieuwe koning. Op vergelijkbare wijze verkreeg hij Beieren. Omineus is McKittericks opmerking dat Karel met de oorlogen tegen de Saksen noodgedwongen het door zijn vader begonnen karwei afmaakte, als was hij een voorafspiegeling van George W. Bush, die de klus van zijn vader in het Midden-Oosten klaarde.

Leverancier

Anders dan doorgaans wordt verondersteld, was de samenwerking met de paus niet enkel ingegeven door een behoefte aan politieke legitimiteit. Voor Karel de Grote was Rome bij uitstek de leverancier van accurate bijbelse, canonieke, theologische en liturgische geschriften. Deugdelijke teksten waren een noodzakelijke voorwaarde voor kerkelijke hervormingen en moesten meer eenvormigheid in de geloofspraktijken brengen.

Ook de hernieuwde interesse in Latijnse klassieke teksten, grammatica en orthografie, waarvoor de aanduiding ‘Karolingische Renaissance’ in het leven is geroepen, is te beschouwen als een poging om de eenheid in het rijk te bevorderen. Het Latijn, dat in staatszaken, onderwijs en liturgie een prominente plaats kreeg, verschafte de Franken tevens een middel om zich met het Romeinse verleden te identificeren. Te midden van de Byzantijnen en andere volken onderscheidden de Franken zich immers door hun grote fascinatie voor geschiedenis. Het Romeinse verleden werd onderdeel van het eigen verleden.

Van hieruit lijkt Karels gooi naar het Romeinse keizerschap begrijpelijk. Maar ook hier liggen de zaken volgens McKitterick niet zo eenvoudig. Het keizerschap van Karel de Grote had betrekking op de bescherming van de heilige plaatsen in Rome. Bovendien lijkt het erop dat Karel de Grote de keizerstitel, althans in het begin, als een hoogstpersoonlijke gunstverlening zag, die met hem het graf in zou gaan.

Toch leek hij op den duur de blijvende waarde van het keizerschap naar Romeins model te beseffen. In zijn oorkonden noemde hij zich ‘augustus’ en ‘imperator’, en op munten en zegels liet hij zich afbeelden als een Romeins keizer. Uit een poëtische beschrijving van een verloren geraakte frescocyclus in de palts te Ingelheim blijkt dat Karel zich op één lijn liet afbeelden met de Romeinse keizers Augustus, Constantijn en Theodosius.

De kerkelijke hervormingen, de verheffing van het Latijn, de historische interesse en de keizersidee, die alle een band hebben met de persoon van Karel de Grote, zijn ongetwijfeld bijdragen geweest aan de The Formation of a European Identity, zoals de ondertitel van McKittericks boek luidt. Wat zij daarmee precies bedoelt, laat ze aan de lezer over. Dat neemt niet weg dat de Britse mediëviste in deze erudiete studie Karel de Grote onloochenbaar in een nieuw daglicht heeft geplaatst.