‘Dus u ontkent de Holocaust?’

Particuliere kunst-bezitters worden de dupe van de internationale regels voor de teruggave van oorlogskunst. Researchbureaus dreigen met de onverkoop-baarheid van hun schilderijen. „De claims op oorlogskunst zijn uitgelopen op big business.”

Stel, u heeft jaren geleden een portret van een oude Hollandse meester geërfd. U wilt het nu verkopen en brengt het naar een veilinghuis. Maar daar wordt het geweigerd, omdat blijkt dat uw portret in de Tweede Wereldoorlog in Joods bezit was. Voor het geveild kan worden, moet er eerst nader onderzoek naar de herkomst worden gedaan. Dan krijgt u te horen dat het portret geclaimd wordt door de erfgenamen van de oorspronkelijke bezitter. Zij willen dat u het afstaat of een financiële schikking treft.

De laatste jaren worden particuliere eigenaren van schilderijen steeds vaker geconfronteerd met zulke claims. Zoals de huidige eigenaren van schilderijen die aan het begin van de oorlog tot de collectie van de Amsterdamse apotheker Emmanuel Vita Israël behoorden.

Emmanuel Vita Israël pleegde zelfmoord op 17 mei 1940, een week na de Duitse inval. Hij was 67 jaar en liet een weduwe en twee zoons achter. Later in de oorlog zouden zij en één van zijn schoondochters in concentratiekampen omkomen. De andere schoondochter was niet Joods en zij overleefde de oorlog met haar beide dochters, die in 1939 en 1940 waren geboren. De jongste van die dochters overleed in 1973. Ze was getrouwd met Antonie van Woerkom.

De oudste dochter, Anna Louise, en Antonie van Woerkom claimen nu de kunstverzameling van Anna Louises grootvader Emmanuel Vita Israël. Het was een enorme collectie van 62 schilderijen en 80 zeventiende- en achttiende-eeuwse meubelstukken, van tientallen middeleeuwse beeldhouwwerken, van antiek koper, tin, glaswerk en porselein, van oude wapens, tapijten, klokken en gouden en zilveren kleinodiën. Het leek wel of Vita Israël alles wat los zat en bijzonder was, verzamelde.

In november 1940, kort na zijn zelfmoord, werd de ‘Verzameling van wijlen E. Vita Israël’, 440 lotnummers, in Amsterdam geveild. De Nederlandse kunsthandel verkeerde eind jaren dertig in een malaise, maar meteen na de Duitse bezetting kwam er uit Duitsland veel vraag naar oude Hollandse meesters. Dus bloeide die handel op en stegen de prijzen. Aan het begin van de oorlog werden de bezittingen van de Joden in Nederland nog niet in beslag genomen. De opbrengst van de veiling, die niet tegenviel, ging naar de familie en kwam uiteindelijk terecht bij de niet-Joodse schoondochter die de oorlog met haar twee dochtertjes overleefde. „Anna Louise heeft me vroeger verteld dat het gezin daar in haar jeugd goed van heeft kunnen leven”, zegt Antonie van Woerkom nu.

Noch hij noch zijn schoonzuster Anna Louise had ooit overwogen om de geveilde kunstwerken van grootvader Emmanuel te claimen. Er werd nooit over gepraat en het kwam eenvoudig niet bij hen op. Ook niet toen ‘oorlogskunst’ in 1997 ineens een hot item werd en er internationaal richtlijnen werden opgesteld voor de teruggave van kunstwerken die door de nazi’s van Joden waren geroofd tussen 1933 en 1945.

Maar drie jaar geleden werden Anna Louise Vita Israël en Antonie van Woerkom onverwacht benaderd door het International Research Institute Muggenthaler en vanaf dat ogenblik veranderde alles.

Bij veilinghuis Sotheby’s in Amsterdam

was in 2005 een schilderij ingebracht van Gerrit van Honthorst. Zoals gebruikelijk bij kunstwerken van voor 1945 ging Sotheby’s de herkomst na. Veilinghuizen willen geen kunst verkopen met een oorlogsverleden – kunst die in Joods bezit was en misschien nog door erfgenamen kan worden geclaimd. Zowel Sotheby’s als Christie’s heeft in New York een internationaal ‘Restitution Department’, dat ‘verdachte’ kunstwerken uit de veiling houdt en aan een nader onderzoek onderwerpt. Omdat de Honthorst afkomstig bleek uit de Vita Israël-collectie schakelde Sotheby’s Amsterdam de New Yorkse restitutie-afdeling in.

Lucian Simmons, hoofd van deze afdeling, vertelt dat zijn team bij roofkunst altijd probeert de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen te traceren. Als dat niet lukt, neemt Sotheby’s een gespecialiseerd bureau als Muggenthaler in de arm om uit te zoeken of er nog een familielid van de Joodse eigenaar in leven is. Zo ook bij de Honthorst.

Cornelia Muggenthaler, directeur van Muggenthaler Research, vond de kleindochter van Emmanuel Vita Israël en rapporteerde dat aan Sotheby’s. Maar ze deed nog iets: ze nam zelf contact op met de erven Vita Israël en deed hun een voorstel: ze bood aan om de kunstcollectie van Emmanuel op te sporen en te claimen in ruil voor een bepaald percentage van de opbrengst van de teruggevonden goederen.

Antonie van Woerkom: „We werden een beetje overvallen door mevrouw Muggenthaler. Ze spant zich nu sinds drie jaar voor ons in, samen met het advocatenkantoor Levi & Levi in Israël. Ze heeft ons overtuigd dat alles wat in 1940 geveild is, aan onze familie toebehoort en alsnog terug moet.” Welk percentage hij aan haar moet betalen, wil hij niet zeggen.

Van de 62 schilderijen uit de collectie wist Muggenthaler er tot nu toe drie te lokaliseren, van de Hollandse meesters G. Grevershof, Joost de Momper en Jan Both. De Grevershof bevindt zich in een Nederlands museum. Of dit doek wordt teruggegeven, is nog niet duidelijk. De andere twee schilderijen zijn bij particulieren in Frankrijk en de Verenigde Staten. Volgens Muggenthaler wordt met hen overlegd over een schikking.

En dan is er het schilderij Christus en de Emmausgangers van Gerrit van Honthorst, waarmee het allemaal begon. Als het echt een Honthorst was geweest, zou dit het meest kostbare schilderij uit de collectie zijn. In 1940 werd het als zodanig geveild en Cornelia Muggenthaler weet niet beter dan dat het inderdaad een Honthorst is. Maar dit doek is allang bekend als een C.H. Volmarijn, een schilder die door Van Honthorst werd beïnvloed (zie kader). Als een Honthorst zou het schilderij nu een kleine miljoen euro waard zijn, als een Volmarijn ongeveer veertigduizend.

Cornelia Muggenthaler benaderde

de eigenaar van de Honthorst via Sotheby’s (dat wel brieven doorstuurt, maar geen namen vrijgeeft van inbrengers). In drie brieven deed ze een dringend beroep op hem om over het schilderij in onderhandeling te gaan. Maar de eigenaar liet aan Sotheby’s weten daar niet voor te voelen.

Muggenthaler vertelt over haar werkwijze: „We hebben veel positieve ervaringen met particuliere eigenaren van oorlogskunst. Als zo’n eigenaar het kunstwerk na 1950 in goed vertrouwen heeft gekocht en hij laat het nu veilen, dan nemen wij namens de claimant genoegen met de helft van de opbrengst. De herkomst van het werk is dan gezuiverd, het heeft weer zijn volle waarde en kan voortaan probleemloos worden verkocht. Wij weten dat de eigenaar van de Honthorst het doek geërfd heeft van iemand die het tijdens de oorlog heeft gekocht. In zo’n geval vragen we een hoger percentage. Maar deze man wil zelfs niet praten.”

Om hem toch tot een schikking te bewegen, riep Muggenthaler de hulp in van het Holocaust Claims Procession Office (HCPO), een instantie die in 1997 werd opgericht door de staat New York om Joodse claimanten te assisteren bij het terugkrijgen van hun in de oorlog ontvreemde familiebezit – niet alleen kunst, maar ook aandelen of banktegoeden. Volgens HCPO-directeur Anna Rubin steunde haar organisatie tot nu toe vijfduizend claimanten in dertig landen.

Op de vraag wat de HCPO doet wanneer een particuliere eigenaar van oorlogskunst niet wil onderhandelen met de claimant, zegt Rubin: „We vertrouwen op onze morele overredingskracht. De Washington Principles on Looted Art uit 1998 zijn ons gereedschap. Als particulieren volharden in hun weigering om in overleg te gaan, geven we hun voorlichting over de oorlog, we try to educate them. Meestal gaan ze dan overstag en zijn ze alsnog bereid tot restitutie van hun bezit, of een schikking.”

Maar de eigenaar van de Honthorst bezweek niet onder de druk die op hem werd uitgeoefend. Hij bleef bij zijn weigering, al betekent dat in de praktijk dat hij zijn schilderij niet meer op een veiling of bij een kunsthandel kan verkopen, omdat het ‘besmet’ is.

Juridisch staat hij in zijn recht. Roof tijdens de oorlog is volgens de Nederlandse wet allang verjaard. Maar in dit geval is er niet eens sprake van roof. Want hoe bitter het lot van de familie Vita Israël in de oorlog ook was, de veiling was vrijwillig en de opbrengst is aan de familie ten goede gekomen.

De richtlijnen voor de teruggave

van oorlogskunst die in 1998 in Washington werden opgesteld, waren bedoeld voor overheden en niet voor particulieren. In diverse landen, waaronder Nederland, hebben overheden en musea in overeenstemming met die richtlijnen oorlogskunst gerestitueerd. Maar de laatste jaren worden ook particulieren geconfronteerd met claims. Meestal wisten zij niets over de oorlogsgeschiedenis van hun kunstwerk, tot zij het wilden verkopen en door het veilinghuis op de hoogte werden gesteld of totdat ze werden benaderd door een claimant.

Researchbureaus als Muggenthaler hebben hun eigen methodes ontwikkeld om particuliere eigenaars te overtuigen dat zij een kunstwerk moeten inleveren, of, bij een verkoop, een deel van de opbrengst moeten afstaan. Die methodes kunnen ver gaan. Zo schroomde Muggenthaler niet om, in een poging de Honthorst-bezitter toch nog aan de onderhandelingstafel te krijgen, naar de pers te stappen: naar deze krant. Een ander middel is om zo’n schilderij te brandmerken als oorlogskunst en zo de verkoop te blokkeren. De veilinghuizen werken hier in feite aan mee door geen kunstwerken te veilen die geclaimd worden, al is er juridisch geen enkele basis voor zo’n claim.

Jop Ubbens, directeur van Christie’s Amsterdam, zegt: „We veilen geen oorlogskunst, omdat wij moreel goed willen handelen. Dit zijn delicate kwesties en we bekijken ze per geval.” Hij beaamt dat veilinghuizen er belang bij hebben dat de claimant en de eigenaar van oorlogskunst tot een oplossing komen: dan kan zo’n kunstwerk immers alsnog worden geveild. „Maar”, zegt hij, „het is niet zo dat we coûte que coûte spullen binnen willen halen om te veilen. We zijn commercieel, maar we hebben de ethiek hoog in het vaandel.”

Evenals de veilinghuizen laat ook het Art Loss Register (ALR) zich bij oorlogskunst leiden door ‘morele overwegingen’ en niet door de wet. Het ALR houdt een databank bij van vermiste oorlogskunst en doet in opdracht van veilinghuizen en kunsthandelaren herkomstonderzoek. Victorine Stille, hoofd van de afdelingen Nederland en Duitsland van het ALR, zegt: „Als wij op morele gronden vinden dat een kunstwerk terecht wordt geclaimd, dan zijn we bereid te bemiddelen tussen de erfgenamen van degene die het in de oorlog bezat en de huidige eigenaar. Als een schilderij bijvoorbeeld door de nazi’s geconfisqueerd is en de erfgenaam niet al eerder kansen heeft gehad om het op te eisen, dan spannen wij ons in voor zijn claim.”

Hoewel de meeste particulieren volgens Christie’s, Sotheby’s en het ALR bereid zijn tot een schikking over oorlogskunst – al is het soms na jarenlange onderhandelingen – staat de eigenaar van de Honthorst niet alleen in zijn weigering. Een rondgang langs kunsthandelaren, -taxateurs en -consultants leert dat meer bezitters van oorlogskunst er niets voor voelen om hun eigendom – meestal gaat het om een schilderij – af te staan. Ze hebben het schilderij geërfd of lang na de oorlog, toen niemand zich bezighield met het fenomeen oorlogskunst en het woord zelfs niet bestond, argeloos gekocht. En ze voelen zich niet verantwoordelijk voor de geschiedenis ervan.

Maar geen enkele eigenaar

durft dat hardop te zeggen, niemand wil erover praten, zelfs niet anoniem. De bezitter van de Honthorst reageert niet op de oproep via Sotheby’s om zijn standpunt in deze krant toe te lichten. Ondanks de bemiddeling van Christie’s lukt het niet om in contact te komen met de eigenaar van De aflegging van Christus door Thomas de Keyser, een schilderij dat geclaimd wordt door de erven Goudstikker. En ook de poging om via kunsttaxateur en -consultant Marina Aarts te spreken met de eigenaar van een schilderij van Dirck Hals loopt op niets uit. Dit doek werd in de oorlog van Nederlandse Joden geconfisqueerd en wordt nu opgeëist door hun erfgenamen. Volgens Aarts zegt de huidige eigenaar: ‘Als het doek niet geveild kan worden vanwege een claim, dan veil ik het niet’, en wil hij er verder niets over kwijt.

Marina Aarts: „De claims op oorlogskunst zijn uitgelopen op een geglobaliseerde moneymakerij, big business. Wie er iets van zegt, wordt beschuldigd van antisemitisme, dus niemand durft zijn mond open te doen.”

Dat zegt ook kunsthandelaar Willem Jan Hoogsteder. Enkele jaren voordat de regering in 2006 ruim tweehonderd schilderijen uit de Goudstikker-collectie had teruggegeven aan Marei von Saher, kreeg Hoogsteder al bezoek van Clemens Toussaint, hoofd van het researchteam van de erven Goudstikker. Hoogsteder: „Toussaint deed zich voor als een kunsthistoricus die onderzoek deed naar de schilder Aert de Gelder en hij vroeg of hij de twee portretten van de ouders van De Gelder mocht zien. Die waren bij mij in de opslag, ze zijn van een particulier. Pas in de loop van het gesprek bleek dat hij ze wilde claimen, omdat ze in 1940 tot de Goudstikkercollectie hoorden. Ik vond het onbehoorlijk dat hij met valse voorwendsels bij mij binnenkwam. Dat heb ik gezegd en ik heb hem de deur gewezen.

„Later kreeg ik een dochter van Marei von Saher met een advocate op bezoek, die de portretten ook wilden zien. Ik zei: die portretten zijn nu terug naar de eigenaar en ik geef zijn naam niet. Daarop ontspon zich een woordenwisseling, waarbij ik te horen kreeg: ‘Dus u ontkent de Holocaust?’ Toen gingen ze te ver.”

Hoogsteder legt uit dat de portretten van De Gelder in 1978 op een veiling zijn gekocht. Begin jaren vijftig was er een schikking overeengekomen tussen de weduwe Goudstikker en de Nederlandse staat, waarmee de zaak was opgelost. Goudstikker-schilderijen konden probleemloos worden verhandeld, er was geen vuiltje aan de lucht. Hij voegt er aan toe: „De weduwe Goudstikker werd destijds bijgestaan door de beste advocaten en was tevreden met de deal. Pas een halve eeuw later, toen zij al niet meer leefde, kwam er een claim. De staat heeft uiteindelijk een geste gemaakt en 202 schilderijen aan Marei von Saher geschonken. Daarbij was heel duidelijk dat dit besluit niet op wettelijke gronden berustte. Burgers hebben nu dan ook geen enkele reden om schilderijen aan Von Saher af te staan. Schilderijen die notabene vaak gekocht zijn toen die schikking nog gewoon van kracht was. Als iemand geen recht heeft schilderijen van particulieren op te eisen, dan is het Marei von Saher. Want natuurlijk zijn er schrijnende gevallen en integere claims waarbij ik goed begrijp dat particulieren bereid zijn kunstvoorwerpen terug te geven. Maar het is niet fair om onschuldige eigenaren onder druk te zetten, om verkopen te blokkeren met een claim, om te dreigen met publiciteit. Ik vind dat de moraal hier wordt misbruikt.”

Hoogsteder is niet de enige

die de laatste jaren bezoek kreeg van de zaakwaarnemers van Marei von Saher. Toussaint is met zijn researchteam over de hele wereld nog op zoek naar zo’n vijfhonderd schilderijen uit de Goudstikkercollectie. Hij schat dat er daarvan ten minste honderd in Nederlandse privécollecties zijn. Toussaint: „We zullen proberen die terug te krijgen. Het probleem is dat een juridische basis ontbreekt: volgens de wet is het verjaard. Over teruggave van oorlogskunst zijn wel regels opgesteld voor regeringen, maar niet voor particulieren.”

Volgens Toussaint zegt ongeveer de helft van de particulieren die hij benadert: ik heb dit schilderij in goed vertrouwen gekocht, dus ik heb niets met u te bespreken. Toussaint: „De andere helft begrijpt de commerciële impact van een claim: zo’n kunstwerk is nauwelijks meer te verkopen, het heeft zijn waarde verloren en de enige manier om die te herwinnen, is een deal te sluiten met de claimant. Er zijn drie soorten deals. De eigenaar zegt: ik betaal compensatie en houd het schilderij. Of Marei von Saher zegt: u heeft het in goed vertrouwen gekocht, ik betaal u compensatie en ik krijg het schilderij. Een derde mogelijkheid is dat ze het werk samen verkopen en de opbrengst delen.”

Toussaint benadrukt dat iemand die een schilderij ter veiling aanbiedt, makkelijker te bewegen is tot een deal dan een eigenaar die niet van plan was het te verkopen. „Daarom maken veilinghuizen vaker mee dat er geschikt wordt dan wij. Voor ons is het lastiger. Ik weet een doek van Meindert Hobbema in een Nederlands kasteel, maar ik heb de eigenaar nog niet benaderd. Er zijn meer belangrijke Goudstikkerschilderijen in Hollandse privécollecties en ik moet eerst een goede strategie bedenken.”

Als een eigenaar die een schilderij in goed vertrouwen kocht bereid is te onderhandelen, stelt Toussaint eerst voor om de aankoopprijs te betalen in ruil voor het schilderij. „Maar vaak is het intussen in waarde gestegen, dus dan ligt het toch moeilijk. Ik zeg dan: ‘Wilt u winst maken op een schilderij dat in de oorlog van Joden is gestolen?’ Of ik breng zo’n eigenaar in contact met Marei, zodat er wederzijds begrip ontstaat. Dat kan ook helpen.”

Toussaint kan zich het bezoek aan kunsthandel Hoogsteder nog goed herinneren: „Toen Hoogsteder begreep waarvoor ik kwam, werd hij heel boos en riep: ‘Waarom moeten particulieren Goudstikker-kunst teruggeven? Er zijn heel veel oorlogsslachtoffers geweest en die krijgen niets terug.’ En daarna werd ik eruit gezet.”

Bij kunsthandel Cramer

in Den Haag kreeg Toussaint evenmin een hartelijke ontvangst. De hoogbejaarde Hans Cramer raakt zo geëmotioneerd als het bezoek van Toussaint ter sprake komt dat hij de telefoon doorgeeft aan zijn assistente. Zij vertelt dat Cramer van een klant een portret van de zeventiende-eeuwse schilder Philips Koninck in commissie heeft. Dit doek was in 1975 in goed vertrouwen gekocht van een Duitse verzamelaar. Twee jaar geleden stapte Toussaint onverwacht binnen bij Cramer: „Hij liet ons weten dat het portret uit de Goudstikker-collectie komt en dat meneer Cramer het moest afstaan. Later kregen we ook nog advocaten van Von Saher over de vloer. Zij zeiden: ‘U kunt het portret niet meer verkopen, want wij claimen het.’ We hebben toen onze advocaat gebeld en die zei: ze hebben geen recht op dat schilderij en als ze terugkomen, stuurt u ze maar naar mij.”

Cramers advocaat, A.H. Vermeulen, zegt laconiek: „Ik heb nog niet in actie hoeven komen voor het portret van Koninck.” Gevraagd naar zijn visie op dit soort claims antwoordt hij: „Als een particulier – dat kan dus ook een kunsthandelaar zijn – een schilderij te goeder trouw heeft gekocht, dan ben ik geen voorstander van teruggave. Maar bij een kunstwerk dat geërfd is van iemand die bij de verwerving niet te goeder trouw was, kan ik me voorstellen dat de eigenaar een morele verplichting voelt om het terug te geven of een compensatieregeling te treffen.” Vermeulen vindt het ‘bitter’ dat het de erven Goudstikker ‘alleen om het geld lijkt te gaan’: „Niet alleen particulieren zijn de dupe, ook musea. Het Dordrechts Museum kan het Gezicht op Dordrecht van Jan van Goyen terugkopen van Von Saher voor de getaxeerde waarde. Het museum is nu bezig geld in te zamelen. Dat is toch treurig.”

„Ja”, zegt Vermeulen, „ik vind dat de restitutie van oorlogskunst uit de hand is gelopen. De Restitutiecommissie is daar mede verantwoordelijk voor.”

De Restitutiecommissie

adviseert de regering over de teruggave van oorlogskunst uit rijksbezit. De commissie baseert haar adviezen op een reeks Aanbevelingen die werden opgesteld door de commissie-Ekkart.

Kunsthistoricus Rudi Ekkart is de ontwerper van het huidige Nederlandse oorlogskunstbeleid. Dit beleid moest de naoorlogse vrekkigheid van de staat bij de teruggave van roofkunst alsnog goedmaken. Wat vindt hij van de manier waarop dit beleid nu zijn weerslag heeft op particuliere kunsteigenaren die part noch deel hadden aan die naoorlogse vrekkigheid? Worden zij niet de dupe van regels die voor overheden bedoeld waren?

Ekkart: „Ja, die regels zijn inderdaad gericht op teruggave van overheidsbezit. Maar veilinghuizen hebben zich bij die regels aangesloten en dat heeft dus gevolgen voor particuliere kunstbezitters. Dit speelt nu overal ter wereld. Ik hoor regelmatig over claims op particulieren. Ik voer zelf nooit onderhandelingen voor een claimant en ik geef geen namen van eigenaars. Maar als een eigenaar mij inlichtingen vraagt over een kunstwerk uit zijn bezit en ik zie dat het in de oorlog geroofd is, dan wijs ik hem er wel op dat het claimgevoelig is.”

Ekkart erkent dat de methodes waarmee particulieren onder druk worden gezet om hun bezit af te staan, lijken op chantage. De eigenaar van de Honthorst kan zijn schilderij niet meer verkopen, het researchinstituut Muggenthaler probeert hem zelfs via de media te belagen. Ekkart: „Particulieren onder druk zetten, te menen dat je daar het volste recht toe hebt, keur ik af. Vooral als het gaat om particulieren die een schilderij te goeder trouw hebben gekocht. Zij krijgen te maken met een moreel dilemma: blijf je genieten van een met bloed besmeurd schilderij, of wil je dat er iets aan gebeurt, ben je bereid tot een schikking? Een schilderij dat van Joden is geconfisqueerd, kan een groter moreel probleem vormen dan een doek dat door oorlogsomstandigheden verkocht moest worden, maar waarvan de opbrengst destijds gewoon genoten is. Ik vind het schrikbarend dat lang niet alles wat nu als oorlogskunst wordt geclaimd confiscaties waren.”

Op de vraag wanneer er een eind komt aan de teruggave van oorlogskunst door de staat, noemt Ekkart het jaartal 2015. Hij schat dat in 2012 het grootscheepse onderzoek van Nederlandse musea naar de herkomst van al hun verwervingen sinds 1933 is afgerond en er omstreeks 2015 definitief een punt wordt gezet achter de teruggaven. Ekkart: „Dat zal dan ook doorwerken naar claims op particulieren.”

De jurist Wouter Veraart, docent rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit, schreef twee jaar geleden dat de Restitutiecommissie te ver ging bij het honoreren van de Goudstikker-claim op de staat en dat de schikking uit 1952 met de weduwe Goudstikker veel te makkelijk opzij werd gezet.

Zoals veel van zijn vakgenoten kijkt Veraart met zorg naar de huidige claimpraktijk, waarbij het Nederlandse recht geen rol meer lijkt te spelen: „Als ik een schilderij van iemand claim, dan doe ik een moreel appèl op hem. Dat mag. Maar de eigenaar van het schilderij mag daar zijn eigen mening over hebben en die moet gerespecteerd. Morele druk en chantage gaan te ver. Misschien is het een idee dat de Restitutiecommissie zich eens tegen deze praktijken uitspreekt? Het was toch de bedoeling dat we op een maatschappelijk verantwoorde manier de fouten van na de oorlog zouden herstellen? Nu zien we wild-west taferelen.”