De eerste Inspector Morse

In een Victoriaans gezin vond in 1860 een gruwelijke moord plaats. Kate Summerscale reconstrueert als rasspeurder de ‘Road Hill House Murder’.

Kate Summerscale: The Suspicions of Mr Whicher. Or the Murder at Road Hill House. Bloomsbury, 360 blz. € 25,–

Het is misschien wel de moeder van alle moordzaken: een afgelegen landhuis, een ogenschijnlijk liefdevolle familie, een moord en een mysterie. De Road Hill House Murder uit 1860 hield het Victoriaanse Engeland jarenlang in zijn greep, leidde tot ontelbare artikelen en boeken, en werd uiteindelijk het sjabloon voor de latere puzzeldetective – tot ver in de 20ste eeuw de populairste Engelse literatuur.

De zaak sprak ook tot de verbeelding omdat de belangrijkste rol was weggelegd voor een fascinerend nieuw fenomeen: de detective. In het geval van de moord in Road Hill House ging het om detective-inspector Jonathan Whicher, van wie weliswaar geen portret bekend is, maar wiens bedaarde persoonlijkheid niettemin via Charles Dickens de Engelse literatuur is binnengeslopen en zo onsterfelijk is geworden: hij vormt een van de modellen voor Inspector Buckett in Bleak House.

Het boek dat de Engelse biografe Kate Summerscale schreef over de moord in Road Hill House en de bizarre nasleep ervan, wil dan ook meer dan de feiten voor zichzelf laten spreken. Voor haar is de moord in Road Hill House in veel opzichten archetypisch. De Victoriaanse detective was bij uitstek een dubbelzinnige held: hij sprak tot de verbeelding van typisch 19de- eeuwse schrijvers als Dickens en Wilkie Collins, auteur van The Moonstone (1868; de roman die als de eerste Engelse detective geldt), omdat hij, zuiver met zijn verstand, duistere zaken aan het licht kon brengen en door de schuldigen te ontmaskeren de maatschappelijke orde wist te herstellen. Hij vertegenwoordigde de rede in een onredelijke wereld, scherpzinnigheid in een onwetende samenleving.

Aan de andere kant was de detective ook de man die op nietsontziende wijze binnendrong in het heiligste der heiligen, het Victoriaanse huis en haard, en die zonder aanzien des persoons allerlei duistere familiegeheimen ontrafelde. Vaak kwam hij daarbij zaken op het spoor die niemand onder ogen wilde zien. In het geval van de moord in Road Hill House leidde die ambivalentie bij het publiek tot een heus schandaal; en het kostte de rationele, weloverwogen inspecteur Jonathan Whicher bijna de kop.

De zaak bevatte dan ook een element dat in de latere, klassieke detectiveromans altijd zou ontbreken: een echt schokkende moord. Het slachtoffer was een driejarig jongetje, dat ’s nachts uit zijn bed was gehaald en bij wie de keel was doorgesneden. Daarna was zijn lichaam in een latrine voor bedienden gegooid, waar het was leeggebloed.

De kleine Savile was een kind uit het tweede huwelijk van Samuel Kent, een ogenschijnlijk typisch Victoriaanse huisvader, die ten tijde van de moord tegen de zestig liep en zijn brood verdiende in dienst van de overheid: hij inspecteerde de arbeidsomstandigheden in fabrieken. Zijn eerste vrouw, Mary Ann, was in 1852 gestorven; het jaar daarop was Kent hertrouwd met de kinderjuffrouw, Mary Pratt. In de nacht van de moord op hun enige zoon sliep de hele familie in het statige huis even buiten het stadje Road, dat niet ver van Bath ligt. Op de bovenverdieping sliepen twee van de kinderen uit Kents eerste huwelijk, Constance en William, de verdieping eronder het echtpaar Kent en de kinderen uit zijn tweede huwelijk, twee dochtertjes en het slachtoffertje. Tegen vijf uur in de ochtend ontdekte het kindermeisje, de 22-jarige Elizabeth Gough, dat Savile uit zijn bedje was verdwenen; later verklaarde ze dat ze ervan uitging dat zijn moeder hem bij haar in bed had genomen. Toen hij de volgende dag vermist bleek, werd de plaatselijke politie gealarmeerd en een grootscheepse zoektocht op touw gezet. Het lichaam werd later diezelfde dag gevonden door een boer en een schoenmaker, die meteen als verdachten werden beschouwd.

Als belangrijkste verdachte gold echter het kindermeisje, dat op verschillende momenten tegenstrijdige verklaringen aflegde over een dekentje van Saviles bed, dat eveneens verdwenen bleek. Ze werd aanvankelijk gearresteerd, maar al snel weer vrijgelaten wegens gebrek aan afdoende bewijs. Tegen de tijd dat de grote detective

Vervolg op pagina 2

Road Hill House, moeder van alle moordzaken

Vervolg van pagina 1

Whicher uit Londen in Road arriveerde, zat het onderzoek muurvast.

In de plaatselijke en landelijke pers werd druk gespeculeerd; hoewel er beneden in het huis een open raam was aangetroffen, ging men er vanuit dat de dader zich de nacht van de moord in het huis moest hebben bevonden. Behalve het dienstmeisje werd vooral ook de vader van het jongetje verdacht gemaakt. De meest gangbare theorie was dat Kent een geheime relatie met het dienstmeisje onderhield en dat het stel door Savile was betrapt tijdens de daad.

Van Jonathan Whicher werd veel verwacht; hoewel hij er onopvallend uitzag, was hij een van de intelligentste en meest succesvolle detectives van de London Metropolitan Police. Maar toen hij vrij snel na zijn komst overging tot een arrestatie, was het ogenblikkelijk gedaan met zijn populariteit. Hij waagde het de 16-jarige dochter uit het eerste huwelijk van Samuel Kent, Constance, te arresteren op verdenking van de moord.

Ogenblikkelijk keerde de publieke opinie zich tegen hem. De politie, en Whicher in het bijzonder, zou in deze zaak blunder op blunder hebben gestapeld, de bewijzen voor de schuld van het meisje waren flinterdun. Dat was ook wel zo: de verdenkingen van Whicher richtten zich op het raadsel van een verdwenen nachtjapon en een bloederig kledingstuk dat verborgen achter het fornuis in de keuken werd gevonden. Het meisje zweeg, ze kwam niet voor de rechter, de zaak bleef onopgelost. Whicher keerde met hoon overladen terug naar Londen, waar hij een tijdlang alle publiciteit meed. Het onderzoek naar de moord op het kind kabbelde voort zonder resultaat.

Ruim vijf jaar na de moord meldde de schuldige zich alsnog met een vrijwillige bekentenis, die voor de meeste mensen volkomen onverwacht kwam. Het zou flauw zijn hier de ware toedracht van de moord te onthullen, en hoe die zich verhoudt tot de vermoedens van Jonathan Whicher, aangezien Summerscale haar originele boek bewust als een detective heeft geschreven, met de grootste verrassing in het laatste hoofdstuk. Zoals bij iedere geslaagde misdaadroman die het van de plot moet hebben, volgt helemaal aan het einde toch weer een nieuwe onthulling, die de zaak op de valreep een heel ander aanzien geeft.

Toch moet The Suspicions of Mr Whicher het niet van zulke knaleffecten hebben (de ware toedracht van deze historische zaak is bovendien voor iedereen gemakkelijk via internet te achterhalen). Het boek is ook een sociale geschiedenis; de spraakmakende moordzaak brengt de onzekerheden van een tijdperk aan het licht, de scheuren en barsten die onverwacht de Victoriaanse zelfverzekerdheid begonnen te ondermijnen. Het trotse kasteel van de Engelsman, zijn huis en familie, bleek onderdak te bieden aan onderdrukte, gevaarlijke emoties. Het getourmenteerde familieleven van de Kents werd een bron van publieke discussie, die zich voltrok met een ongeëvenaarde heftigheid; wie de belangstelling voor misdaad in de serieuze pers als een recent fenomeen beschouwt, zal versteld staan.

Ook gaat Summerscale in op de fascinatie van schrijvers als Dickens voor het nieuwe fenomeen van de superspeurder, de vrijwel altijd uit de lagere sociale milieus afkomstige politieman, die als eeuwige buitenstaander een alziend oog ontwikkelt voor aberraties die in het keurig geregelde sociale verkeer onzichtbaar blijven.

Maar het gaat Summerscale vooral om het verborgen, innerlijke drama van de betrokkenen, de donkere onderstromen van het ogenschijnlijke rimpelloze familieleven in Road Hill House, de vasthoudendheid van de detective, die het uiteindelijk toch moet afleggen tegen de publieke opinie, en de lange, pijnlijke nasleep voor iedereen die met de zaak te maken kreeg – in het bijzonder de door wroeging geplaagde moordenaar, die ook nog eens de honderd haalt.

Het is knap hoe Summerscale, die eerder in The Queen of Whale Cay (1997) een verbluffende hommage bracht aan de excentrieke lesbo ‘Joe’ Carstairs, aan de hand van uitgebreid archiefonderzoek de verschillende betrokkenen tragisch reliëf weet te geven, zonder dat ze zich waagt aan stelligheden of de feiten te veel naar haar hand zet. Terwijl ze de geheimen van haar personage aan het licht brengt, hun twijfels en angsten, bewaart ze zorgvuldig afstand in toon, op het onthechte af. In die zin ontpopt de schrijfster zich als een erfgenaam van de speurder voor wie haar boek een monument wil zijn; net als inspecteur Whicher is ook zij een rasdetective, die een scherp oog voor menselijke zwakheden paart aan een instinctief gevoel van mededogen. Het staat er niet in zo veel woorden, maar dat mededogen geldt vooral de fundamentele eenzaamheid van alle mensen.

Hoewel Whicher na een lang vrijgezellenbestaan uiteindelijk trouwt met zijn huishoudster en zelfs een gelukkig gezin sticht, is hij, zoals beschreven door Summerscale, toch vooral de archetypische loner, die de tragische onvolkomenheden van de mensen met deernis beziet. De bewoners van Road Hill House, zo blijkt uit The Suspicions of Mr Whicher, zijn stuk voor stuk gevangenen van zichzelf.

De afschuwelijke moord op het jongetje Savile blijkt uiteindelijk niets anders dan een smeekbede om liefde, een tragische uiting van het verlangen om gezien te worden.