Bij Berezovski zijn hoofd, hart en handen één

Robeco Zomerconcert: Residentie Orkest o.l.v. N. Järvi m.m.v. Boris Berezoski, piano. Werken van Tsjaikovski. Gehoord: 2/7, Concertgebouw, Amsterdam.

Onder de Russische pianovirtuozen is Boris Berezovski de sympathieke reus. Ongenaakbaar als een menhir zit hij achter de vleugel, terwijl zijn razendsnelle handen alles doen wat hij wil. Er zijn maar weinig musici met zo’n directe verbindingslijn tussen hoofd, hart en handen. Berezovski twijfelt niet, weet precies wat hij muzikaal wil uitdrukken en doet dat op even virtuoze als gezaghebbende wijze.

Zo was het Tweede Pianoconcert van Tsjaikovski, dat niet half zo vaak gespeeld wordt als zijn Eerste Pianoconcert, briljant door het achteloze gemak waarmee Berezovski de duizelingwekkende octavenpassages speelde, en toch intiem door de elegantie waarmee hij de romantische lyriek van het werk verklankte.

Pas tijdens de repetities kwam Berezovski erachter dat het uitstekend musicerende Residentie Orkest niet de gebruikelijke, door Tsaikovski’s leerling Ziloti bekorte versie van het Tweede Pianoconcert speelde, maar de originele versie. Van solopartij verwisselen bleek echter geen probleem voor de solide Rus, terwijl het orkest enkele weken na de dramatisch mislukkende solo’s van de plaatsvervangende concertmeester op het Hofvijverconcert nu uitstekende solo’s leverde, ondermeer gespeeld door de invallende violist Igor Gruppman, eerste concertmeester van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, en solocellist Harro Ruijsenaars.

Met een intensiteit die deed denken aan het Dubbelconcert van Brahms gaven zij de intro van Tsjaikovski’s Andante in vloeiende samenspraak met Järvi en het orkest een gloeiende lading. Berezovski nam daarna de fakkel in superieure eenvoud weer over, eindigend in een zo vlammend ‘con fuoco’ in de finale dat dit deel nogmaals werd uitgevoerd.

Ook Tsjaikovski’s Vijfde symfonie werd op hoog niveau uiteengezet. Chef-dirigent Järvi verleidde het orkest tot inzet en overgave. Zo klonken de turbulente gemoedsbewegingen als een krachtig monument ter beteugeling van het noodlot; onontkoombaar en gloeiend sonoor. Als toegift volgde nog een uit Järvi’s noorderlijke hart opwellende lezing van het Andante Festivo van Sibelius.