Arbeidsdeling

In de buurt van mijn woonplaats is een themapark waar je de prehistorie kunt beleven. Ze hebben daar prehistorische hutten, beenderen waarmee de vroege mens muziek maakte en kookpotten voor de prehistorische maaltijd. Je kunt er zien hoe de allereerste boeren meel maalden uit graan en hoe de prehistorische mens kleren maakte van dierenvellen. Kenmerkend voor deze hele eerste periode van het mensdom was dat er een betrekkelijk geringe mate van arbeidsdeling bestond. Goed, de mannen gingen op jacht terwijl de vrouwen de hut aan kant brachten, maar verder deed iedereen zo’n beetje wat z’n hand vond om te doen. Je maakte eens een stuk gereedschap, je legde een vuur aan, je bouwde met z’n allen aan een nieuwe hut, je vierde met z’n allen een feestje, en je had alle mankracht nodig voor de bouw van een hunebed.

Dit veranderde in de loop van de tijd. De opkomst van beschavingen heeft veel te maken gehad met een toenemende arbeidsdeling. Er kwamen schrijvers, soldaten, bouwvakkers, timmerlieden, smeden, pottenbakkers, priesters, boeren, koningen, kooplieden en chirurgijns. Mensen gingen zich toeleggen op een bepaalde activiteit en daar werden ze goed in. Specialisatie leidde tot een vorm van beroepstrots: ambachtslieden konden het weven, het bakken, of het smeden tot een ware kunst verheffen. Specialisatie leek de aangewezen weg om als samenleving een hogere welvaart en meer efficiency te bereiken.

De verzorgingsstaat van de 20ste eeuw bracht een nog verdere specialisatie en een reeks nieuwe beroepen: maatschappelijk werker bij de sociale dienst, welzijnswerker, bedrijfsarts, administrateur bij het pensioenfonds, ambtenaar bij sociale verzekeringskantoren. Je haalde je vlees bij de slager, je brood bij de bakker, je liet je fiets maken bij de rijwielhersteller en over je pensioen en je uitkering bij ziekte of werkloosheid hoefde je ook niet zelf te tobben, want dat deed de staat voor jou.

Het was een heerlijke tijd en als we toch af en toe genoeg hadden van de overzichtelijkheid van arbeidsdeling en specialisatie, gingen we kamperen op een natuurcamping, waar we ons eigen tijdelijke huis moesten opzetten, ons eigen vuurtje moesten aanleggen en zelf een greppel moesten graven bij wijze van wc. Na zo’n vakantie vol ontberingen zag iedereen weer de voordelen van de arbeidsdeling.

Wanneer veranderde het? Vermoedelijk lag het omslagpunt ergens aan het begin van de jaren tachtig. Toen begon een ontwikkeling die ons weg zou voeren van de specialisatie en de arbeidsdeling. We gingen toe naar een samenleving waarin van lieverlee iedereen weer alle mogelijke dingen zelf zou moeten doen.

In het bedrijfsleven werd ontdekt dat je winst kon maken door je klanten aan het werk te zetten. Econoom Jaap van Duijn legde het uit in Vrij Nederland (6-10-2007): „Het kenmerk van een dienstenmaatschappij is dat er hoe langer hoe minder diensten worden geleverd. Dat doen we nu allemaal zelf, om die bedrijven te gerieven en hun winst te laten stijgen. Bij de KLM moeten we zelf inchecken, dan kunnen zij meer mensen ontslaan. Voorbeelden te over. Benzinepompen, automaten en chipkaarten bij de NS. Alle dienstverlening is op ons afgeschoven. Zij groeien nog, doordat wij het werk doen.” Het Ikea-concept – haal zelf je nieuwe keukenblok in plankjes en zet het zelf in elkaar – is aan alle kanten op ons uitgeprobeerd.

Ook door de overheid. De verzorgingsstaat werd geleidelijk uitgekleed door opeenvolgende bewindslieden op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De arbeidsongeschiktheidsverzekering werd ingeperkt en burgers moesten zelf hun WAO gat repareren. De Ziektewet werd geprivatiseerd, burgers werden geacht hier oplossingen te vinden samen met hun baas.

Terrorismebestrijding is een zaak voor de burger geworden. Lees de website van terrorisme coördinator Tjibbe Joustra er maar op na. De overheid hoopt dat wij alert zullen zijn op achtergelaten koffers, geparkeerde busjes en op verdachte klanten die dingen kopen waar je best een bom van zou kunnen maken.

In de jeugdzorg zweren hulpverleners bij het concept van de ‘Eigen kracht conferentie’. Als een gezin in problemen verkeert worden die problemen niet opgelost door psychologen of maatschappelijk werkers, nee, dan wordt het sociale netwerk van het gezin bijeengebracht. Grootouders, ooms en tantes, buren, vrienden en collega’s treffen elkaar in een zaaltje en met z’n allen moeten zij proberen het drankprobleem van moeder, het drugsprobleem van de tienerzoon en het spijbelgedrag van de tienerdochter aan te pakken.

In het onderwijs is deze trend al enkele decennia aan de gang, zo weten we uit het rapport-Dijsselbloem. Leerlingen moeten tegenwoordig leren leren, in een studiehuis, een studielandschap, of via competentie- en of taakgestuurde modules. De facto is daarmee een groot deel van het onderwijs afgewenteld op de ouders en op huiswerkbegeleiders en werkstudenten, die door ouders zijn ingehuurd.

In de gezondheidszorg heet deze trend naar doe het zelven door patiënten met een officieel beleidswoord ‘disease management’ of ‘self-management’. Waar het allemaal vandaan komt begrijp ik nog steeds niet. Waar het allemaal goed voor was en is begrijp ik ook niet. Wat was er mis met arbeidsdeling?

Veel dank voor de reacties en de uitnodigingen die ik in de afgelopen jaren heb ontvangen naar aanleiding van mijn columns, op mijn site, op de site van de NRC, per e-mail en per brief.

Dit is, na zeveneneenhalf jaar, de laatste bijdrage van Margo Trappenburg als columnist op de Opiniepagina. Na de zomer zal een aantal nieuwe columnisten aantreden. Trappenburg zal bij gelegenheid in NRC Handelsblad blijven schrijven. Oude columns op www.margotrappenburg.nl.