Vreemde griep op platteland

Honderden mensen in Brabant hebben Q-koorts. Ze hebben last van spierpijn en misselijkheid. Schapen en geiten dragen de ziekte over. „Brabant heeft de grootste geitendichtheid.”

Opvallend veel inwoners van het Brabantse dorp Herpen hadden vorig jaar ineens dezelfde griepachtige verschijnselen. Het duurde twee maanden voordat de lokale huisartsen erachter kwamen wat er met de patiënten aan de hand was. Na raadpleging van internisten, longartsen en microbiologen, en gericht onderzoek van de afgenomen bloedmonsters, konden ze eindelijk een diagnose stellen: Q-koorts.

Q-koorts is bezig aan een opmars in Nederland. Dit jaar zijn er al 348 meldingen van Q-koorts, tegen 178 vorig jaar. En dat was al een record: tot vorig jaar registreerde het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hooguit vijftien ziektegevallen per jaar.

Q-koorts is een ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii, die van dier op mens wordt overgedragen. De bacterie komt voor bij schapen, geiten en runderen. De Q staat voor query (vraagteken): de ziekte is nog met veel raadsels omgeven. „Zestig procent van de besmette personen maakt de ziekte door zonder ziek te worden”, vertelt Rob Besselink, huisarts uit Herpen. Mensen die wél ziek worden, hebben last van koorts, spierpijn, braken, misselijkheid en hoesten, soms zelfs van een longontsteking. Ze krijgen antibiotica voorgeschreven.

Bij de meesten gaat de ziekte over, maar niet bij iedereen. „Q-koorts kan chronisch worden”, legt Besselink uit. „Bijvoorbeeld bij mensen met een hartklepafwijking – de bacterie zet zich vast op de kleppen. Wij zien hier in de praktijk ook mensen die vorig jaar ziek waren en nog steeds klagen over vermoeidheid.” Sommige patiënten van Q-koorts belanden (voor langere tijd) in het ziekenhuis.

Vorige week bevestigde de GGD Zuid-Limburg het bericht dat een onlangs overleden man was besmet met Q-koorts. Of hij daadwerkelijk aan deze ziekte is gestorven, staat niet vast. Als dat zo is, zou hij de eerste officiële Q-koortsdode zijn in Nederland.

De Brabantse gemeenten Bernheze, Landerd, Uden en Oss zijn door het RIVM aangewezen als de kernen van de besmettingen. Maar ook onder medewerkers en patiënten van de psychiatrische instelling Nijmeegse Baan deden zich onlangs opvallend veel Q-koortsgevallen voor. Bij twintig mensen werd de ziekte vastgesteld. Schapen die op het terrein graasden, bleken de bron van de besmetting.

Het zal bij de uitbraken in Brabant en Nijmegen niet blijven, voorzien huisarts Rob Besselink en Hendrik-Jan Roest van het Centraal Veterinair Instituut van de Wageningen Universiteit.

„In Zuid-Frankrijk, waar al langer sprake is van Q-koorts, zie je ook dat de ziekte telkens de kop opsteekt”, zegt Roest. Hij doet onderzoek naar de bacterie die Q-koorts veroorzaakt.

Het aantal schapen- en vooral geitenhouderijen in Nederland is de laatste jaren flink toegenomen, waarmee ook het risico op verspreiding van Q-koorts is gestegen, zegt Roest. Het is ook niet zo vreemd dat de Q-koorts zich juist in Brabant manifesteert, stelt Besselink. „Brabant heeft de grootste geitendichtheid van Nederland. Na de varkenspest bleek de geitenhouderij een goed alternatief.”

In Herpen (3.000 inwoners) is één geitenhouderij. Hoewel daar vorig jaar bij een aantal dieren de Coxiella burnetii is aangetroffen, is het bedrijf niet als besmettingsbron aangewezen. Het stijgend aantal meldingen heeft ook te maken met bewustwording, legt Roest uit. Artsen worden alerter op de ziekte. Bovendien worden de tests steeds beter.

De Q-koortsbacterie bevindt zich in grote hoeveelheden in de resten van een miskraam bij een geit of schaap: het vruchtwater, de foetus en de placenta. Zo’n miskraam is ook een belangrijk symptoom van besmetting met de bacterie. In mindere mate zit de Q-koortsbacterie in de mest van de kleine herkauwers. Als dat materiaal indroogt en verwaait, kan besmetting plaatshebben over wel twintig kilometer afstand van de bron.

Besmetting verloopt via stofdeeltjes in de lucht, of via het eten van geitenkaas die is gemaakt van niet-gepasteuriseerde melk. Deskundigen vermoeden daarom dat het droge voorjaar vorig jaar een grote rol heeft gespeeld bij de omvang van de uitbraak in Herpen. „Bij droge omstandigheden kan de bacterie lang overleven”, aldus Roest.

Ruim drie weken geleden kondigden de ministeries van Landbouw en Volkgezondheid maatregelen af. Boeren die te maken krijgen met opvallend veel abortussen (miskramen) bij hun geiten, schapen of runderen – symptomen van de besmetting – moeten dat melden. Bij het Rijk zijn inmiddels drie bedrijven aangemeld, één uit de provincie Gelderland (omgeving Nijmegen) en twee uit Brabant, waarvan één bedrijf met twee verschillende bedrijfslocaties. Opvallend is dat die bedrijven niet liggen in het gebied waar zich de Q-koortsgevallen voordoen.

Roest: „Tegen boeren zou ik willen zeggen: ga voorzichtig om met het miskraammateriaal en de mest. Volg de instructies op. In het belang van de volksgezondheid moet je de risico’s zo klein mogelijk maken.”

Inmiddels buigt de Gezondheidsraad zich over de vraag of zwangere vrouwen en bloeddonoren uit gebieden met besmette bedrijven zich standaard zouden moeten laten testen op Q-koorts. Bij zwangere vrouwen die ongemerkt besmet zijn met de Q-koortsbacterie kan een ontsteking van de moederkoek optreden, waardoor het kindje minder voeding krijgt en niet meer goed groeit of zelfs overlijdt. „Naar al die zaken moet serieus worden gekeken”, stelt Besselink.

Huisarts Besselink vindt dat maatregelen lang op zich hebben laten wachten. „En je kunt je afvragen of deze maatregelen wel effectief genoeg zijn. Wat als boeren niet melden dat hun dieren ziek zijn? Hoe zit het met de controle? Ik heb daar mijn twijfels over.”