Vijftig liter wijn in de kofferbak

Elke maand een reisverhaal. Vandaag: een reisje naar de Champagne in een huureend.

Reizen in een Citroën 2CV is nostalgie (dat geluid!), en verplicht onthaasten.

Die blikken. Je raakt eraan gewend rijdend in een eend. Op een benzinestation in Noord-Frankrijk bekijken twee mannen ons eendje eens goed, de ene is Belg, de andere Fransman. Bewonderend, denk je.

Meer bezorgd, blijkt later. „Hebt ge dat gezien?”, zegt de Belg wijzend naar de druppende uitlaat. Nee, dat hadden we nog niet gezien. Hij bukt om een druppel met zijn vinger op te vangen en ruikt eraan. Ja, dat is benzine. Dan volgt een verhaal over het in brand vliegen van de achterkant en meer onheilspellende scenario’s. „Ik zou er niet meer mee verder rijden”, roept de Belg als hij wegscheurt in zijn dikke auto.

Wat nu? Zouden we de Champagne nog wel halen, schiet het door mijn hoofd. Een telefoontje later naar de verhuurder van de 2CV, Rien Tilstra, zijn we gerustgesteld. Ook al lekt de uitlaatpijp, onze eend kan geen vlam vatten. De motor zit aan de voorkant en de tank voelt niet warm aan. Om negen uur ’s avonds bereiken we onze camping in Vandières, Champagne.

In 1948 rolde de eerste Citroën 2CV van de band. Nu, zestig jaar later, beleeft de eend een kleine hausse. De laatste jaren zijn er verschillende bedrijven opgericht die eenden verhuren voor rally’s, dagtochten, of langere trips. Huureeneend.nl, waar wij voor vier dagen een lichtbruine eend uit 1983 gehuurd hebben, werd twee jaar geleden opgezet door Mark Hukema en Rien Tilstra. Voor het ‘eendgevoel’, dat ze zelf hadden ervaren op vakantie naar Frankrijk, is een markt, dachten ze. Want toeren in een eend is voor sommigen niet alleen nostalgie, maar ook verplicht onthaasten.

Onze Babet, zoals we de eend liefkozend genoemd hebben, wil liever niet harder dan 100 kilometer per uur. Praten kan vanwege de herrie van de motor nauwelijks, aan alle kanten tocht het, bij elke windvlaag gaat het lichte eendje mee, het schakelen dient zeer rustig te gebeuren, de richtingaanwijzer gaat niét automatisch uit, de spiegels trillen continue en de toeter klinkt als schel gekwaak. Een eend is eigenlijk niet echt een auto. C’est plus qu’une voiture, c’est un style de vie. Deze slogan uit een Franse folder voor de 2CV uit 1963 gaat nog altijd op.

De snelweg is niet de beste omgeving voor Babet, merken we op weg naar Frankrijk. Het is best fijn hoor, op de rechterbaan achter de vrachtwagens, maar de rit duurt wel iets langer dan de routeplanner heeft berekend. In plaats van vierenhalf uur zijn we inclusief tussenstops en de files bij Antwerpen en Brussel bijna acht uur onderweg.

Na iets meer dan 400 kilometer draaien we de snelweg af. Bestemming: de Champagne. Bubbels zijn booming, blijkt uit de stijgende verkoopcijfers en het aantal proeverijen. Dus waarom niet naar het mekka van de bubbels? Bovendien ligt de toeristenluwe noordelijke Franse provincie redelijk dichtbij en is de 2CV onder meer ontworpen voor twee personen en een wijnvat van vijftig liter. Vijftig liter champagne is iets boven ons budget, maar we willen allicht proberen in de buurt te komen.

Onze eerste champagne-ervaring is op de camping, waar we direct na aankomst een fles koude champagne bestellen bij de campingbaas, die tevens champagneboer is. Rozig en met suizende oren van het kabaal van de eend gaan we slapen. Het echte genieten kan beginnen, ook voor Babet.

Na een dagje op de camping heeft de deux-chevaux al heel wat fans verzameld. Een Nederlands echtpaar komt ons blij tegemoet. „Onze eerste auto was een 2CV”, zegt de man. „Dat geluid, ik herkende het meteen.” De volgende ochtend, als zij op het punt van vertrekken staan, schiet de man ons aan. Of hij in de eend mag zitten. Gewoon, eventjes, voor het gevoel.

Zaterdag en zondag tuffen we door pittoreske dorpjes, langs de kerk waar held Dom Pérignon begraven ligt, we sjezen de heuvels af en pruttelen voorbij de uitgestekte wijngaarden. Dit is duidelijk de thuisbasis van ons deux-chevauxtje. Voor dit landschap is ze gemaakt. Elke ochtend voeren we een kleine strijd wie er achter het stuur mag.

Een paar keer stoppen we om rond te kijken en champagne te proeven. Het landelijke gebied tussen Reims en Epernay leent zich daar prima voor. De steden mijden we. In elk dorp woont wel een aantal champagneboeren. Je kunt niet overal naar binnen om te proeven, maar in de weekeinden in het hoogseizoen zijn er altijd wel een paar geopend. In Hautvillers drinken we een glaasje bij het champagnehuis J.M. Gobillard et Fils. Als we vragen of we de kelders mogen zien, worden we doorverwezen naar een adres net buiten het dorp. Daar blijkt dat het champagnehuis de jaarlijkse open dag houdt. Opvallend veel Belgen zijn er op af gekomen. In een bus rijden we langs de wijnvelden en brengen we een bezoek aan de kelders waar sommige druivensoorten een paar jaar blijven liggen. De eigenaar, Thierry Gobillard, geeft tekst en uitleg over het productieproces. In het Frans, uiteraard. We slaan een doosje in en nuttigen daarna aan lange tafels de lunch.

De volgende dag, na inmiddels zo’n tien verschillende champagnes geproefd te hebben, voelen we onszelf al echte kenners en liefhebbers. De blanc de blancs (enkel chardonnay) is ons meestal iets te simpel, de Brut Grand Cru (75 procent pinot noir en 25 procent chardonnay) van het huis Paul Clouet is fruitig en erg goed. De Britse wijngoeroe Oz Clarke zou zeggen: goede champagne ruikt naar schoon leer en zoete noten. Dat was ons nog een smaakniveau te hoog. Wij kwamen niet verder dan termen als ‘bon’, ‘simple’ en ‘dur’.

We toeren verder en zien dan eindelijk, na twee dagen, een ander eendje rijden. Een groene, die niet in opperbeste staat verkeert. We zwaaien. Enkele Fransen hadden ons wel verteld dat zij ook eenden hadden, wel vier. Maar de Fransen in de Champagne rijden liever in grote, snelle auto’s. Want in de Champagne hebben ze het niet slecht. Dat zie je aan de auto’s, de huizen, de bloemen overal langs de kant van de weg en de grootse industriële aanpak van de champagneproductie.

Maar Babet laat zich niet kennen. Een Porsche snel? Dit deux-chevauxtje kan er ook wat van. Met 85 kilometer per uur racen we terug naar de camping na in Le Mesnil Sur Oger gedineerd te hebben. En dan... licht opeens de hele omgeving op. We zijn geflitst voor te hard rijden. In een eend.