Taakstraf vaak beter dan de cel

Rechters leggen terecht taakstraffen op, de minister moet zich daar niet mee bemoeien. Dat eist de scheiding der machten, betoogt Wim Anker.

Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) schreef deze week in een brief aan de Tweede Kamer dat taakstraffen niet meer opgelegd mogen worden bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven (NRC Handelsblad, 1 juli).

Gelukkig heeft de minister van Justitie – gelet op de machtenscheiding – geen enkele invloed op beslissingen van rechters in Nederland.

Wel kan hij de Aanwijzing Taakstraffen doen aanscherpen. Op deze wijze wordt echter de manoeuvreerruimte van de officier van justitie in individuele zaken beperkt. Officieren van justitie kennen de desbetreffende casus en zijn op de hoogte van alle specifieke omstandigheden van het geval. De onafhankelijke rechter is niet te sturen, hij moet per verdachte maatwerk kunnen leveren. Ook als het Openbaar Ministerie (OM) in de toekomst met zwaardere eisen komt, zal de rechter een eigen koers moeten blijven varen.

De brief is derhalve een verkeerd signaal. De officieren van justitie en rechters kunnen heel goed zelf beslissen welke sanctie het meest is aangewezen en hoe hoog deze zal moeten zijn.

Als het gaat om zedenzaken of geweldsmisdrijven is in de praktijk sprake van grote verschillen qua ernst en aard van het feit. Veel gevallen van mishandeling kunnen worden geseponeerd of via een transactie door de officier van justitie worden afgedaan. Lang niet alle geweldsdelicten moeten met een gevangenisstraf worden afgedaan. Dat geldt alleen voor de ernstigste zaken.

Dat in behoorlijk wat gevallen een taakstraf is opgelegd bij verkrachting, ligt niet aan het OM of aan de rechters. Het is nu eenmaal zo dat een opgedrongen tongzoen formeel valt onder verkrachting (art. 242 Wetboek van Strafrecht). Daarop staat een maximum gevangenisstraf van 12 jaar. Het probleem is dat onder verkrachting gedragingen vallen die zeer verschillen qua ernst en aard.

Het woord is dus aan de wetgever. Die zal dergelijke handelingen buiten het bereik van artikel 242 moeten brengen. Officieren en rechters moeten hierop niet worden afgerekend.

Aanleiding voor de brief van Hirsch Ballin is een onderzoek door het OM na een uitzending van het tv-programma Zembla. In het programma werd gesteld dat rechters tegen de bedoeling van de wetgever in taakstraffen opleggen bij ernstige misdrijven.

Volgens mij is het helemaal niet tegen de bedoeling van de wetgever dat rechters in dergelijke zaken vaak taakstraffen opleggen. De taakstraf is een zelfstandige hoofdstraf in Nederland. Toen de taakstraffen in de wet verschenen is geen enkel delict qua aard of ernst ervan uitgesloten. Kennelijk heeft de wetgever het niet nodig geacht om bijvoorbeeld een uitzondering te maken voor geweldsdelicten of zedendelicten.

Dat de minister vervolgens alweer pleit voor uitzonderingen, geeft aan dat de materie gecompliceerd en gevoelig is. Uitzonderingen ondergraven de ferme taal die de minister in eerste instantie bezigt.

Daarbij hebben taakstraffen evidente voordelen ten opzichte van gevangenisstraffen.

De meerwaarde van een taakstraf boven de gevangenisstraf is dat de straf ten uitvoer wordt gelegd in de maatschappij en niet erbuiten. De betrokkene houdt contact met de samenleving, met name met zijn gezin. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf lijdt de naaste familie mee. De betrokkenen kunnen in de regel ook gewoon aan het werk blijven, hetgeen vanzelfsprekend gunstig is voor het verdere functioneren in de samenleving.

Bovendien werkt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf stigmatiserend en komt de betrokkene in aanraking met allerlei personen die wellicht negatieve invloed op hem of haar zullen uitoefenen.

De samenleving is mijns inziens ook nog gebaat bij onbetaalde arbeid ten algemene nutte. Er moeten niet minder taakstraffen worden opgelegd maar juist meer.

Ten slotte kan op dit punt nog worden vermeld dat uit recent onderzoek van het Nederlands Studiecentrum voor Criminialiteit en Rechtshandhaving blijkt dat veroordeelden na een taakstraf (veel) minder vaak in de fout gaan dan na het uitzitten van een gevangenisstraf. Dat lijkt me voor de samenleving ook wel belangrijk.

Wim Anker is strafrechtadvocaat in Leeuwarden.