Pleisterplaats voor plezierrijders

Elk jaar verlaat een grote groep kleurrijke motorrijders de TT Assen om elkaar bij een pompstation bij Hoevelaken vaarwel te zeggen. Aflevering in een serie over motorrijden.

Uit de bioscoop komen, en je even een cowboy voelen. Van de TT komen, en je even Valentino Rossi of Shinya Nakano wanen. De bezoekers van de TT hebben de hele middag hun helden zien excelleren op het circuit. Na afloop van de races, en met de beelden van de onverschrokken coureurs en hun onwaarschijnlijke stuurmanskunsten nog voor ogen, ligt de breed-bochtige A50 voor hen uitgestrekt in het Drents-Overijsselse land. Een verleiding die geen motorrijder kan weerstaan. De rit naar huis over de snelweg is dan ook de met duizenden tegelijk genoten finale van het evenement.

Onderweg is er nog één pleisterplaats, voor de wegen zich scheiden: bij Hoevelaken gaat het enerzijds richting de motorrijke provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, anderzijds naar de eivolle Randstad. Het enkele kilometers voor het klaverblad gelegen pompstation Hooglanderveen is voor velen de laatste stop van het weekeinde Assen.

De uitbater van het station is goed op de komst van de motorrijders voorbereid. Wie contant kan betalen mag aan de pomp afrekenen, om des te sneller weer aan te sluiten bij de motorrijders die als een veelkleurig lint aan het station voorbij komen waaien.

Velen lijken haast te hebben. Niet de haast om thuis te komen, maar om weer opgenomen te worden in de golf van gelijkgestemden. Voortgaan, in razende vaart. Waar mogelijk nog even genieten van de snelheid, en van de door de autoriteiten nog niet aan banden gelegde acceleratie.

Menigeen neemt toch even pauze bij het pompstation. Praat wat in de eigen groep, of sluit zich aan bij onbekenden, een beker koffie of cola in de hand; cafeïne combineert prima met adrenaline.

Alle volkeren van de motorwereld zijn hier samen. Alleen de chopperrijder, even afgezaagd als zijn knalpot, is ondervertegenwoordigd. De trouwe Kawasakirijder is er natuurlijk wel, in zijn al decennia-lang gehandhaafde gifgroene uitmonstering. Evenals de eigenaren van de overige Japanse motoren, even veelkleurig als veelvormig.

Steeds talrijker, ook hier: de liefhebbers van de Italiaanse motor met hun traditioneel rood-gouden Ducati’s en Moto Guzzi’s. Grote namen, waarin de onvoorwaardelijke Italiaanse motorliefde weerklinkt: Aermacchi, Laverda, Benelli, Cagiva. De Mostro en de Tuono. Proef die klanken! Het Monster! De Donder! Zelfs een enkele stokoude MV Agusta duikt op. Let op: het is A-gusta en geen Augusta, zoals telkens weer in de populaire pers geschreven wordt.

Ook is altijd daar: de wat serieuze en bedachtzame BMW-rijder, met zijn dierbare boxermotor. Stemmig gekleurd tussen al het bonte volk. Lijf en motor weloverwogen geoutilleerd met passende accessoires, meestal van het eigen merk.

Van verre komen ze ook. De Engelsen op hun afgeragde, maar technisch perfect onderhouden motoren. Slordig volgepakt, maar altijd voorzien van de Union Jack. Vanzelfsprekende klassiekers, vaak nog geboren in de gouden tijd van de Engelse motor: de na-oorlogse jaren van de vorige eeuw. Norton, Triumph, BSA. Tiger, Thruxton, Bonneville.

Een enkele Zuid-Europeaan doet het station aan. Valt op tussen alle Hollandse bonkigheid door het schriele postuur, nog geaccentueerd door het strak gesneden motorpak, dat wel met grotere zorg lijkt uitgezocht dan de motor zelf.

Alleen of in grote groepen sluiten allen zich uiteindelijk weer aan bij de voortrazende karavaan. Tot die uiteindelijk verwatert, en ook de rust op het station weerkeert.

Een enkele late motorrijder stopt nog, gooit de tank vol voor het laatste traject. Een somber drietal hijst een onklaar geraakte motor op een karretje. Een achtergelaten meisje doet telefonisch pogingen om haar ontrouwe verloofde tot terugkeer te bewegen.

De lichten van het pompstation knipperen. Edward Hopper had dit tafereel kunnen schilderen, zij het in wat mildere kleuren. Een medewerker schuifelt rond, raapt koffiebekertjes. Het is voorbij.

Er is weer mateloos genoten.