Oude ambachten

Het Grote Hotel torent boven het dorp uit als een deftige hoed op een boerenkiel. Het is een heel bezit. Maar het toeristische effect blijft uit. Graciosa, die nu al twee termijnen onze presidente da junta is, had stilletjes gehoopt dat het zou leiden tot een souvenirwinkel, een terrasje, een kraam met regionaal blikslagerswerk en dito houten pollepels, maar niets van dit alles. Zelfs een eethuisje kwam er niet bij. Af en toe zie je een geblindeerde en te dure auto in de hoofdstraat treuzelen. Maar zodra de chauffeur het Genoveva-pad heeft ontdekt, omhoog naar het hotel, zoeft hij weer uit zicht.

Je zou een beetje wisselwerking hebben verwacht. ’t Hotel had eieren kunnen inkopen bij een eiervrouwtje uit het dorp. Ze hadden toch dorpelingen in dienst kunnen nemen om de bedden op te schudden en de badkuip te schrobben. Er zijn geen initiatieven in die richting bekend. Het hotel blijft een eiland. Er worden, fluistert men, belangrijke politici naartoe gereden, als ze ergens in de provincie op werkbezoek zijn. Belangrijke politici moeten veel lunchen en veel slapen.

Graciosa heeft de moed niet opgegeven. Haar dorp is het beste dorp en dat zal de wereld worden ingepeperd. Ze heeft nu een manshoog tegeltableau laten ontwerpen met daarop een plattegrond en de bezienswaardigheden van Vila Pouca. Dat tableau zal op het Genoveva-pad komen te hangen. Verankerd in de muur bij de bron. Goed zichtbaar. Geen mens die uit of naar het hotel komt zal er nog aan kunnen ontsnappen. Er valt veel te beleven in Vila Pouca, maar je moet het wel uitdragen als bestuur.

Binnenkort wordt het tableau officieel onthuld. ’t Heeft een flinke duit gekost, de halve jaarbegroting, maar de beschilderingen zijn dan ook duidelijk herkenbaar. Met beslist iets van een artistieke toets. Ik moet maar eens gaan kijken, zegt Humberto tegen me. Met een vreemd glimlachje.

Ik ga kijken. Ik kruip onder het zeildoek door dat het tegeltableau verborgen houdt tot de grote dag van de onthulling. Ik ontwaar een adembenemend panorama, slingerwegen en groene valleien en de loop van een rivier. Een stuk of tien toplocaties zijn door de schilder uitvergroot en veelkleurig in beeld gebracht. Er staan verklarende teksten bij en pijlen. Ik zie het hotel uiteraard, en de middeleeuwse bron, en de Romeinse weg. Ineens zie ik, onderaan, tussen de ruïnes van de kapel van Sint-Apolonia en het imposante dorpswapen van Vila Pouca – ineens zie ik, verdeeld over negen azulejos, drie bij drie, mijn huis. „Het huis van de Hollandse schrijver”, staat er bij. Een grote pijl wijst naar de gedetailleerd in beeld gebrachte prachtwoning.

Ik voel mijn gezicht vuurrood worden. Ik probeer te krimpen en door de grond te zakken. Ik tuur naar de punt van mijn schoenen, in de hoop dat niemand mij ziet als ik naar niemand kijk. Er valt tot in de verre omtrek geen mens te bekennen.

Lieve Graciosa.

Ze is de dochter van Fernando, ons vorige dorpshoofd. Van de eerste dag dat ik hier woon, ken ik haar. Altijd iets artistieks gehad. Ze heeft me al eerder, in het parochieblad, opgevoerd als een van de twee culturele pijlers die haar dorp rijk is. De andere was de blikslager.

Gerrit Komrij