Noord-Europese diva steelt de show op ijsschots

In een land dat prat gaat op een egalitaire maatschappelijke orde is sinds kort de opera omarmd. „Er moet hier Noors gezongen worden, niet alleen Italiaans.”

Het is een gulden etiquetteregel: de gast draagt nooit een creatie die de gastvrouw in de schaduw stelt. Toen Angela Merkel dit voorjaar een avondrobe koos voor de opening van het operagebouw in Oslo, moet die regel haar even ontschoten zijn. Daags na het gala sprak heel Europa over Merkel’s te kleine jurk en haar opvallende decolleté, maar niemand had oog voor de nieuwbouw.

Toch is dit nieuwe gebouw, officieel Den Norske Opera & Ballet genoemd, de ware schoonheid. Een Noord-Europese diva, dramatisch en koel. Als een aangespoelde ijsschots rijst de creatie van architectenbureau Snohetta, bekend van de bibliotheek in Alexandrië, op uit de Oslofjord. Het gebouw bestaat uit een groot hellend vlak van graniet en marmer, dat letterlijk in het water begint om vervolgens tientallen meters het land op te klimmen. Het podium ligt drie meter onder zeeniveau. Om de opera te beschermen tegen averij door een op drift geraakt cruiseschip is in de fjord een damwand geplaatst.

Uit de ijsschots steken glazen wanden: strakke, donkere geometrische vlakken. Het hoogste punt vormt de rechthoekige uitstulping van de toneeltoren. Als de zon schijnt doet de schittering van glas, marmer en water pijn aan de ogen. Het vervaarlijk hellende dak is open voor publiek en biedt een schitterend uitzicht op de baai, de stad en de omringende heuvels.

Ook het interieur begint monumentaal en koel, maar wordt warmer naarmate men verder in het gebouw doordringt. De royale entree is met een marmeren vloer en hoge glaswanden nog strak en sober. De gaanderijen en foyers hebben al golvende vormen en zijn uitgevoerd in licht eiken. De grote zaal, 1.400 zitplaatsen, is een combinatie van donker hout en fel oranje. Het is er behaaglijker dan op het dak, maar ook hier valt gestrengheid te bespeuren. De oranje stoelen zijn bewust een tikje oncomfortabel, het eikenhout van wanden en halfronde balustrades zó donker dat er een zekere dreiging van uit gaat. De moderne koonluchter, een gevaarte met een doorsnee van zeven meter, kan intens wit licht uitstralen.

Het gebeurt niet vaak dat een Europees land zichzelf een opera cadeau doet. En dan ook nog eens een land dat niet automatisch met aria’s geassocieerd wordt. Een opera in Duitsland? Ja. In Italië? Zeker. Maar in Noorwegen?

„In Noorwegen heeft opera het traditioneel moeilijk”, beaamt Björn Simensen, artistiek directeur van Den Norske Opera & Ballet. Twee grote Noorse kunstenaars, vertelt hij, kregen rond de vorige eeuwwisseling al woorden over het belang van opera. Noorwegen was net zelfstandig geworden en zocht nationale symbolen. Schrijver Henrik Ibsen wilde een podium voor zijn gesproken woord. Componist Edvard Grieg wilde een podium voor het gezongen woord. Ibsen won.

Een nationaal operagezelschap kwam er overigens wel: pas een halve eeuw na de onafhankelijkheid. De voorstellingen werden gegeven in een oude bioscoop. Simensen: „We zijn laatbloeiers.”

Hij heeft twintig jaar voor het project gevochten. De strijd begon met een ludieke kraakactie en eindigde met een alliantie tussen operafans en het grondbedrijf. De stad wilde een verpauperd deel van de kuststrook nieuw leven in blazen. De opera moet het hart worden van een nieuwe wijk aan het water, een boulevard voor de kunsten, waar ook een deel van de nationale schilderijencollectie tentoongesteld zal worden.

Opera had het in Noorwegen onder andere moeilijk omdat de kunstvorm als elitair te boek staat. In een land dat prat gaat op een egalitaire maatschappelijke ordening was de kostbare nieuwbouw voor opera en ballet ook een eeuw na Ibsen en Grieg niet vanzelfsprekend. Projectontwikkelaar Statsbygg reisde daarom met een maquette door heel Noorwegen om de belastingbetaler ervan te overtuigen dat het project 500 miljoen euro waard was. Een rechtspopulistische partij slaat ook nu nog uitnodigingen voor festiviteiten in de opera af. Een laatste stuiptrekking van het verzet, zegt Simensen. De permanente stroom nieuwsgierigen op het dak bewijst, zegt hij, dat de Noren zich met hun opera hebben verzoend.

Om de prille liefde tussen burger en kunst niet te verstoren is het gebouw dagelijks vrij toegankelijk en houdt Simensen de prijzen gematigd. „Er moeten altijd een paar kaartjes voor de prijs van twee bier te krijgen zijn.” (In Noorwegen nog altijd 20 euro.)

De programmering is veelzijdig en verre van elitair. Naast klassiekers als Aïda en Carmen, komen barok, operette en musical aan bod, evenals moderne dans en zelfs popmuziek. Voor het openingsseizoen wist Simensen een keur aan internationale sterren te strikken, waaronder Zubin Metha, Simon Rattle en Daniel Barenboim. Daarnaast moet ook Noors talent een kans krijgen. „Er moet hier ook Noors gezongen worden, niet alleen Italiaans,” zegt Simensen. „Dit instituut moet een vast punt in het Noorse culturele leven worden. Dat kan alleen als het een eigen identiteit krijgt, als het een Noors accent krijgt. Als je niet internationaal georiënteerd bent, wordt je snel provinciaals, maar als je het nationale niet koestert ben je thuisloos.”

Meer info en programma op www.operaen.no