Herinneringen van een voetbalfan

A la recherche du temps perdu – nee, dat was het niet. Ik was niet op zoek naar de verloren tijd, maar die tijd werd mij wél, in de eerste drie weken van juni, opgedrongen. Ik spreek van de reusachtige Oranjeballon die die weken over Nederland en Zwitserland hing en op de avond van 21 juni, met de nederlaag van het Nederlands elftal tegen Rusland, plotseling leegliep.

Vele jaren geleden had ik iets dergelijks meegemaakt, zij het op veel kleinere schaal. Ik was een schooljongen en een nogal fanatieke voetbalfan. Vele internationale voetbalwedstrijden heb ik in het Amsterdamse Olympisch Stadion meegemaakt, te beginnen met de finale Argentinië-Uruguay (1928), die in gelijkspel eindigde en daarom overgespeeld moest worden. (Die reprise, die Uruguay won, heb ik niet gezien.)

Maar dat was niet mijn eerste wedstrijd. Vagelijk herinner ik mij een Nederland-België in het oude stadion, dat op de vier hoeken torens had. Die spraken tot mijn verbeelding, die gevoed was door de lectuur van de jongensboeken van E. Molt en P. Louwerse, die in de Middeleeuwen speelden. Die wedstrijd staat mij ook bij omdat de aanvoerder van de Belgen een dokter was, die in mijn ogen een oude heer was.

Maar dat was allemaal lang vóór de Europese kampioenschappen van 1934, waarvoor Nederland zich gekwalificeerd had en waarvan de finale in Rome gespeeld zou worden. Een roes van euforie maakte zich van Nederland meester, aangewakkerd door radio en kranten (televisie was er nog niet). Iedereen zong het lied: „We gaan naar Rome, we gaan naar Rome...”

Maar we moesten eerst nog wel even naar Milaan, „om de Zwitsers te verslaan”. Verdere regels herinner ik me niet, behalve deze: „En Gejus gaat ook mee.” Gejus was de legendarische doelman Van der Meulen, die kinderarts was en kort tevoren afscheid had genomen van het voetbal, maar voor deze gelegenheid terug was gekomen. In de oorlog zou hij zich bij de SS aansluiten. (Ik herinner me in een overvolle trein buik aan buik tegen hem in zwart uniform te hebben gestaan.)

Andere sterren waren de lange Lagendaal (evenals Van der Meulen van het Haarlemse HFC?), de kleine Adam en natuurlijk het kanon Bakhuys. Aanvoerder was Puck van Heel (ADO Den Haag?). Als ik toen niet bezeten was geweest van voetbal, zou die onnutte kennis niet in mijn hoofd zijn blijven hangen. Daardoor wekte de voetbalgekte van dit jaar bij mij een zeker déjà vu-gevoel op.

Het was, zoals ik al zei, minder massaal. Televisie was er nog niet, reizen deed men minder gemakkelijk. Niettemin zijn, zo lees ik in HP/De Tijd, er toch nog zesduizend supporters naar Milaan gegaan. En dat midden in de crisistijd met zijn massale werkloosheid! Ik herinner me alleen een foto in de krant van hossende Nederlanders in Milaan met grote strooien hoeden op (waarschijnlijk onderweg gekocht). Zo gek als in 2008 was het nog niet.

Maar ook de domper van 21 juni 2008 had toen zijn voorganger. In plaats van de Zwitsers te verslaan, werden wij door hen verslagen (met 3-2) en gingen we niet naar Rome. Diepe neerslachtigheid maakte zich van mijn jongensziel meester. Een wereld stortte in, en ik was geneigd in de nederlaag van Milaan het bewijs van Nederlands algemene decadentie te zien.

Kortom, ik was rijp voor Trots op Nederland, als dat toen bestaan had. Maar het was geen trots, het was gefrustreerde trots. Vergaarbekken voor dat soort gevoelens was toen de NSB, die het jaar daarna bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten bijna 8 procent van de stemmen won, het hoogste percentage dat zij ooit zou bereiken.

Tot goed begrip moet eraan herinnerd worden dat de NSB toen nog als een vrij nette partij beschouwd werd, met een ingenieur (Mussert) aan het hoofd, die door Seyss-Inquart in 1940, in zijn eerste rapport naar Berlijn, trefzeker als een ‘liberale nationalist’ gekenschetst zou worden.

Dit zou weer een jaar later veranderen met de komst van Rost van Tonningen, een radicale nazi, die Mussert naar de kroon zou steken. Met hem werd ook het antisemitisme in de NSB geïntroduceerd, waartegen Mussert, die een joodse bridgevriend had, zich maar slap verzette. Deze radicalisering naar Duits model kwam de NSB duur te staan: bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1937 verloor zij bijna de helft van de stemmen van twee jaar eerder.

Zelf had ik intussen mijn belangstelling voor voetbal verloren, en daarmee ook mijn apocalyptische toekomstvisies. Hoe die mutatie zich, in vrij korte tijd, heeft voltrokken, zou ik nu niet meer kunnen reconstrueren. Een rationeel proces heeft daar, geloof ik, niet aan ten grondslag gelegen. Misschien eerder ‘het slimme onbewustzijn’, waarover de psycholoog Ap Dijksterhuis zojuist een boek heeft geschreven, dat onlangs in het boekenprogramma van Wim Brands op de televisie ter sprake kwam.

Hoe dit ook zij, nationale, maar ook sociale en andere frustraties vinden hun uitlaat tenslotte ook in de politiek. In Oostenrijk, zo lees ik in The New York Times, is iets dergelijks aan de hand. Zoals Nederland nog steeds de overwinning op Duitsland op 21 juni 1988 in Hamburg viert, is voor Oostenrijk Cordoba het symbool van nationale grootheid, de Argentijnse stad waar het in 1978 Duitsland met 3-2 versloeg. Maar in de Kampioenschappen van dit jaar werd het, evenals Nederland, uitgeschakeld.

De schrijver van dit stuk spreekt van het „kleine-landensyndroom”, wat in Nederland ongetwijfeld ook meespeelt. „Het is”, zo schrijft hij, „een zeer vreemd mengsel van minderwaardigheidcomplex en grootheidswaanzin”, beide hun meest populaire uiting vindend rond de prestaties van het nationale elftal. De nederlaag ervan wordt als een nationale vernedering gevoeld. De manier waarop deze gevoelens zich tenslotte in de politiek uiten, verschilt natuurlijk van land tot land en van tijdperk tot tijdperk. Daarom gaat het niet aan om Trots op Nederland of soortgelijke bewegingen te vergelijken met de NSB. Ze met de wapens en invectieven van toen te bestrijden helpt niet, kan zelfs averechts werken.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de onlinediscussie op nrc.nl/heldring