De bidkleedjes blijven nu opgerold

Aanhangers van de islamitische stroming Ahmadiyah leefden lang probleemloos samen met andere moslims in Indonesië. Geweld door fundamentalisten brengt daar verandering in.

Het is tijd voor het vrijdagmiddaggebed, maar de groene bidkleedjes in de An Nur-moskee blijven opgerold. Het gebedshuis in Tangerang, twintig kilometer ten westen van Jakarta, is dicht. Gesloten, onder dwang van de buurtbewoners. Buiten druipt een jongeman in kantoorkleding af als hij ziet dat hij niet in zijn moskee terechtkan voor het belangrijkste gebed van de week.

De An Nur is een moskee voor aanhangers van Ahmadiyah, een alternatieve stroming binnen de islam. Voor de sluiting werd hij al beklad met graffiti, vertelt de 27-jarige Riyanto die het gebedshuis onderhoudt. Ahmadiyah sesat, Ahmadiyah zit fout, staat in zilveren letters op de muur. „Ik durfde niet naar buiten om te kijken wie het deden”, zegt Riyanto.

De sluiting van de An Nur is de meest recente actie tegen Ahmadiyah-aanhangers in Indonesië. Rechtlijnige moslims zien de Ahmadiyah als ketters, omdat volgens hen niet Mohammed de laatste profeet is, maar Mirza Ghulam Ahmad, die in 1835 werd geboren in India. In de praktijk is er weinig verschil: ook aanhangers van Ahmadiyah zien de Koran als het heilige boek en bidden naar Mekka. In andere moslimlanden, zoals Pakistan en Bangladesh, worden Ahmadiyah-aanhangers al langer bedreigd en is de religie door de overheid aan banden gelegd.

Tot voor kort hadden de Ahmadiyah in het gematigde Indonesië geen problemen. Maar sinds een paar jaar winnen radicale moslims terrein, zegt directeur Syafi’i Anwar van het ICIP, een organisatie die religieuze verdraagzaamheid nastreeft. Hij vertelt dat de belangrijke moslimraad MUI in 2005 een fatwa uitbracht waarin zij een verbod op Ahmadiyah eiste, wat de fundamentalisten een vrijbrief gaf om moskeeën aan te vallen. Dit jaar nam het geweld toe; in april ging in het Javaanse Sukabumi nog een moskee in vlammen op.

De overheid verbood de Ahmadiyah vorige maand om hun religie te verspreiden. Volgens Anwar koren op de molen van de radicalen. „Zij zien het besluit als een opstap naar een echt verbod.” Ook Riyanto vreest de gevolgen. „Ik ben bang dat door het decreet de anarchie zal toenemen. Mensen kunnen het gebruiken om geweld goed te praten.”

In de arbeiderswijk Babakan in Tangerang, waar de An Nur-moskee al 45 jaar staat, zet het geweld van fundamentalisten de verhouding tussen de Ahmadiyah en ‘gewone’ moslims op scherp. Tot voor kort leefden zij er zonder problemen samen, vertelt winkelierster Maesaroh. Zij en haar gezin zijn de enige Ahmadiyah-volgelingen in de wijk – de andere bezoekers van de moskee komen van buiten. Aan haar afgebladderde muur hangen een Ahmadiyah-kalender en foto’s van profeet Ahmad en zijn nazaten. Maesaroh vertelt dat ze eigenlijk nog steeds goed omgaat met haar buren. Ze komen in haar winkel, voor de deur spelen haar kinderen met vriendjes uit de buurt een schietspel op de Playstation.

Zelfs bekeerlingen hadden nauwelijks problemen, vertelt Eva Musdalifah (29) die op bezoek is in Babakan. Nadat ze via medestudentes kennismaakte met Ahmadiyah is ze in 2004 overgestapt. Niet zozeer uit spirituele motieven, maar omdat ze Ahmadiyah beter georganiseerd vindt dan andere islamitische stromingen. „De Ahmadiyah doen meer maatschappelijke activiteiten. Ze geven bloed en gratis medicijnen. Als je geld doneert, is het duidelijk waar het aan wordt besteed.”

Ze vertelde haar ouders pas over haar bekering toen ze vorig jaar trouwde met een Ahmadiyah-man. „Ze schrokken wel even, maar nu vinden ze het niet erg.” Zelfs met haar broertje gaat ze nog om, hoewel ze er kortgeleden achter kwam dat hij sympathiseert met de fundamentalistische organisatie FPI. „Als het gesprek op godsdienst komt, kunnen we niet meer met elkaar praten.”

Dat de andere bewoners van Babakan toch unaniem de An Nur-moskee wilden sluiten, heeft meer te maken met de gedachte not in my backyard dan met religie. Het begon in 2005, toen de eerste Ahmadiyah-moskeeën in West-Java in brand vlogen. Dat vertelt Leli Gantari, die bij de An Nur voor haar huis zit: „We hadden geen moeite met de moskee, tot we op tv zagen dat er problemen waren.” Haar buurvrouwen knikken instemmend. Sindsdien heeft de Ahmadiyah-familie geprobeerd hen te paaien. Als er geweld tegen Ahmadiyah op tv was geweest, kreeg de buurt lamsvlees.

Maar toen een buurtbewoner een paar weken geleden een anoniem telefoontje ontving dat ook de An Nur-moskee verwoest zou worden, werden Leli en andere buurtbewoners bang. „Ik heb een week niet geslapen”, zegt ze. „Ik ben bang dat de hele wijk hier in brand vliegt. Dit huis is alles wat ik heb.”

In de afgelopen jaren zijn gewone moslims in Babakan zich gaan afvragen waarom de Ahmadiyah zo’n punt maken van hun geloof. Waarom voegen ze zich niet bij de rest van de moslims, waarom hebben ze hun eigen moskee nodig, waarom trouwen ze niet met gewone moslims? Plaatselijke imam Muhammad Hasan Basri vindt net als gematigde moslimorganisaties in Indonesië dat de Ahmadiyah zich moeten aanpassen, óf moeten stoppen zichzelf moslims te noemen. „Je moet niet dezelfde naam gebruiken voor iets anders.”

Kort voor de sluiting van de moskee probeerde de buurt met de Ahmadiyah af te spreken dat als er schade zou worden aangericht aan huizen, brommers of andere eigendommen van buurtgenoten, de Ahmadiyah zouden zorgen voor vervanging. „Maar dat konden ze niet garanderen”, zegt wijkhoofd Andin Nuryadin. „Toen we vorige week weer over de kwestie vergaderden, werden de vrouwen zo ongeduldig dat ze gingen protesteren. Je weet hoe vrouwen zijn.” Door het overheidsbesluit durfde de buurt nu in actie te komen, zegt hij.

Volgens ICIP-directeur Anwar is de situatie in Babakan kenmerkend voor de manier waarop de meerderheid van de Indonesische moslims omgaat met de Ahmadiyah. „Ze zijn gematigd, maar ze zijn niet geïnteresseerd in politiek. Ze hebben hun handen vol aan geld verdienen om te overleven. Vooral nu, met de hoge benzineprijzen. Ze zijn tegen het geweld, maar durven niet te protesteren tegen de FPI omdat ze niet beschermd worden door de politie.” Dat zou kunnen veranderen als president Yudhoyono zich hard zou uitspreken tegen de radicalen, zegt hij. „Maar tot nu toe is hij veel te besluiteloos.”

De Ahmadiyah in Babakan durven hun godsdienst niet meer openlijk te belijden, zegt Riyanto, die voorlopig in de moskee blijft wonen. Uit angst het decreet te schenden, geven de Ahmadiyah geen koranlezingen en koranlessen voor kinderen meer. De leiders van de stroming hebben het decreet bij de rechter aangevochten. Tot daar een uitslag van is, houden ze zich gedeisd. Riyanto: „Ik ben erg teleurgesteld in de regering. Ze doet alsof wij de schuldigen zijn, terwijl de Ahmadiyah-volgelingen de slachtoffers zijn. De regering moet ons beschermen.”

Dit is het eerste artikel van Elske Schouten als correspondent voor Zuidoost-Azië.

Zij houdt een weblog bij: nrc.nl/jakarta