Conflict over schijntje

De leraren en de werkgevers van het middelbare en het hogere beroepsonderwijs verkeren in een bizarre patstelling over de uitvoering van een akkoord tot verhoging van de salarissen van de docenten. Dat akkoord is in april met de overheid afgesproken door alle vakbonden en werkgevers in het lager onderwijs, het middelbaar en het hoger beroepsonderwijs. De bedoeling was dat deze partijen samen het tekort aan capabele leraren zouden bestrijden door het vak financieel aantrekkelijker te maken.

Maar de werkgevers uit het middelbaar en hoger beroepsonderwijs komen er nu van terug en willen het akkoord alsnog niet tekenen. Dan kan ook de daaraan verbonden loonsverhoging voor leraren niet doorgaan. De werkgevers van het hbo en het mbo zeggen dat ze bij nader inzien te weinig extra geld van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) hebben gekregen om het afgesproken ‘Actieplan Leerkracht’ uit te voeren. Later binnengekomen cijfers en berekeningen zouden aantonen dat de werkgevers meer moeten betalen voor de loonsverhogingen dan ze aanvankelijk dachten. Zo zou het aantal leraren dat in aanmerking komt voor bevordering naar een hogere loonschaal, zijn onderschat. De werkgevers willen nu de loonsverhoging beperken tot het daartoe beschikbaar gestelde bedrag.

De lerarenvakbonden eisen terecht dat de MBO Raad en de HBO-raad zich wel aan hun woord houden. Maar de zomervakantie heeft het stakingswapen minder effectief gemaakt. Van een noodsituatie die snel optreden vereist, is dus geen sprake.

Op zich is het verstandig van de HBO-raad en de MBO Raad dat ze het conflict niet meteen doorverwijzen naar de overheid door extra geld te vragen. Maar dan moeten ze ook consequent zijn. Omdat zij zelf de afspraak hebben gemaakt in april, moeten zij zelf de daaruit voortgevloeide problemen oplossen. De enkele tientallen miljoenen euro extra die nodig zouden zijn voor de uitvoering van het akkoord, zijn een schijntje op de miljardenbudgetten van beide onderwijssectoren. Eventuele financiële problemen zouden zich pas over een aantal jaren voordoen.

De werkgevers van het middelbaar onderwijs hebben bovendien net zo goed uitvoeringsproblemen door weeffouten in het akkoord. Zo kunnen jongere leraren vaak niet meer in de bovenbouw doceren omdat de inkomensschalen daar te hoog zijn geworden. Toch hebben de werkgevers uit het middelbaar onderwijs getekend.

Er is dus geen enkele reden voor hbo en mbo om terug te komen op de afspraak. De vakbonden houden met reden vast aan dit onvolmaakte polderakkoord dat met grote moeite tot stand is gekomen. De minder gunstige berekeningen van HBO-raad en MBO Raad zijn slechts tijdelijke projecties. In de loop der tijd kunnen zich net zo goed meevallers voordoen die niet hoeven te worden teruggestort. Eventuele financiële tekorten door onverwachte ontwikkelingen plegen vaak te worden aangezuiverd. De werkgevers van hbo en mbo doen er verstandig aan het akkoord te tekenen.