Amsterdam schendt scheiding kerk & staat

Het wordt door de gemeente ontkend, maar Amsterdam rekt de grens tussen kerk en staat op, meent Maurits Berger.

Amsterdam is zeer actief op het gebied van integratie, bestrijding van radicalisering en het tegengaan van islamofobie. De stad neemt daarin het voortouw en verricht bewonderenswaardig en vaak baanbrekend werk. Burgemeester Cohen en zijn medewerkers hebben daarbij herhaaldelijk kritiek geoogst voor de belangrijke rol die zij in hun beleid toekennen aan religie. Deze zou strijdig zijn met de scheiding van kerk en staat.

In de recente notitie ‘Scheiding van kerk en staat’ probeert Amsterdam deze kritiek te pareren. De notitie overtuigt echter niet, al was het maar omdat zij niet erkent dat de Nederlandse overheden – inclusief die van Amsterdam – al sinds de jaren 80 de grenzen van de scheiding tussen kerk en staat oprekken.

De definitie die al jaren door de regering wordt gebruikt, luidt: scheiding van kerk en staat betekent dat de overheid zich niet mag inlaten met de interne organisatie van godsdienstige instanties en evenmin met de religie en de leerstukken daarvan.

Sinds de jaren 80 is de overheid zich echter steeds meer gaan mengen in godsdienstige aangelegenheden en organisaties, zeker als het gaat over moslims en de islam. Dat begon met de Minderhedennota van 1983 waarin de overheid zich op het standpunt stelde dat godsdienst een functie heeft voor de ontwikkeling en versterking van de eigenwaarde van etnische minderheden, en als zodanig kan bijdragen aan hun emancipatie en integratie. Amsterdam onderschrijft dit standpunt hartgrondig.

Óf, en in welke mate de overheid godsdienst deel kan laten uitmaken van haar beleid is echter omstreden. Deze discussie spitste zich in de jaren 80 toe op de subsidiëring van moskeeën. De voorstanders hiervan liepen uiteindelijk vast op het argument dat er sprake was van rechtsongelijkheid en discriminatie van andere godsdienstige groeperingen die van deze subsidiëring waren uitgesloten. Amsterdam heeft de subsidiëring echter weer op de agenda gezet.

Naast emancipatie en integratie was de vrijheid van godsdienst een andere belangrijke overweging om godsdienst een plaats te geven in overheidsbeleid: de overheid beschouwt het als haar plicht om deze vrijheid te waarborgen. Moslims worden in hun godsdienst belemmerd door de intolerante omgeving waarin zij leven, aldus de overheid.

Tot zover was er nog geen sprake van de overschrijding van de grenzen van kerk en staat. De staat bemoeide zich immers met de godsdienst zelf, maar volstond ermee deze een belangrijke plaats te geven in het beleid. Toch ging de overheid zich in het geval van de islam langzaam maar zeker ook inlaten met zowel de ordening binnen de islamitische ‘kerk’ als haar leerstellingen. Twee voorbeelden illustreren deze trend.

Allereerst de druk van de overheid op de moslimgemeenschap om zich te organiseren. De overheid had namelijk behoefte aan één representatief aanspreekpunt. Deze behoefte werd dringend na de El-Moumni-affaire in de zomer van 2001 en de aanslagen van 11 september in datzelfde jaar.

Nu bleek dat geen makkelijke opgave want de moslimgemeenschap in Nederland was – en is nog steeds – enorm verdeeld. De overheid nam daarom het initiatief, maar ging daarbij omzichtig te werk. Immers, vanwege de scheiding van kerk en staat kon de overheid niet dwingend voorschrijven of, en hoe een geloofsgemeenschap zich diende te organiseren. Maar indirect deed de overheid dat wel: zij stelde de duidelijke eis – één orgaan dat representatief is voor de gehele gemeenschap. De overheid was actief in het faciliteren van de moeizame onderhandelingen tussen de diverse islamitische organisaties. Dit resulteerde in 2004 en 2005 tot de oprichting van, respectievelijk, het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en de Contact Groep Islam (CGI).

Het tweede voorbeeld van inmenging in godsdienstige zaken is het overheidsoptreden tegen radicalisering van moslimjongeren. Hiervoor worden imams, islamitische geleerden en moskeeën ingeschakeld, en wordt gestimuleerd dat een vreedzamere versie van de islam wordt uitgedragen. Met name Amsterdam en Rotterdam zijn hier zeer actief in. Van het – inmiddels breed geaccepteerde – overheidsbeleid om maatschappelijke activiteiten van godsdienstige organisaties te subsidiëren, laat de overheid zich steeds vaker in met hun godsdienstige activiteiten.

Kortom, er is een tendens van toenemende overheidsbemoeienis ten aanzien van islam als godsdienst. Amsterdam speelt daarin een belangrijke rol. En wel zodanig dat men met recht kan spreken van een verschuiving van de grens tussen kerk en staat. Het is zeer wel verdedigbaar dat een dergelijke verschuiving in deze tijd en deze omstandigheden nodig is. Maar Amsterdam moet niet pretenderen dat kerk en staat keurig gescheiden blijven. Godsdienst is zowel doel als instrument geworden in de handen van beleidsmakers, en het heeft geen zin dat te ontkennen.

Maurits Berger is hoogleraar Islam in het hedendaagse Westen aan de Universiteit Leiden.

Cohens notitie Scheiding Kerk en Staat is na te lezen via nrc.nl/opinie