Recht om te beledigen

De beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om van vervolging van de parlementariër Geert Wilders (PVV) af te zien, is verstandig. Maar naar het historisch perspectief blijft het raden. De vervolging van parlementariërs in de jaren negentig wordt er met terugwerkende kracht nog zwakker door. Gelukkig is dat pad inmiddels verlaten.

Juridisch draait alles in deze kwestie om de vraag of er een pressing social need bestaat om Wilders te vervolgen. Dit open criterium, ontleend aan het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, schrijft voor dat beperking van de vrijheid van meningsuiting alleen is toegestaan bij een „zwaarwegend maatschappelijk belang”. De ernst van het feit en de mate waarin de rechtsorde erdoor geschokt is, geven daarbij de doorslag. Dat geeft dus een ruime marge van beoordelingsvrijheid. Op de veelbesproken film Fitna, waarmee Wilders doelbewust zo provocerend mogelijk zijn politieke opvattingen wilde uitdragen, is in Nederland beheerst gereageerd. Velen deden aangifte, maar over de ernst van hun bezwaren kan men van mening verschillen.

Het OM concludeert nu dat Wilders zich weliswaar beledigend uitliet, maar in de context van een maatschappelijk debat. Zijn uitspraken en filmbeelden waren grievend, maar „niet meer grievend dan door de inhoud van het debat gerechtvaardigd is”. Het debat in Nederland loopt zo hoog op dat Wilders zich van het OM mag uitdrukken zoals hij deed. In deze afweging wint het spreekrecht van de parlementariër het van het recht van anderen door de strafrechter te worden beschermd in (bijvoorbeeld) hun religieuze gevoelens.

In een liberale democratie kan en mag het er anno 2008 inderdaad hard aan toe gaan. De positie van moslims in Nederland is niet zo zwak dat ze door het strafrecht tegen uitlatingen als die van Wilders moeten worden beschermd. Het vrije politieke debat is een toereikend forum om hem van repliek te dienen. Het is aan de kiezer, niet aan de rechter, om hieraan bij te dragen.

Voor die houding is steun in Europese jurisprudentie. Met de vrijheid van meningsuiting voor politici dienen justitiële autoriteiten in beginsel voorzichtig om te gaan. Bij uitstek zij hebben de vrijheid ‘to shock, offend and disturb’. Ongetwijfeld heeft het OM ook nagedacht over de gevolgen van een eventuele vervolging op het politieke klimaat.

De maatstaven die het OM aanlegt zijn niet van beton, maar bewegen mee met de tijd. Eerdere pogingen om politici via de strafrechter op hun uitlatingen aan te spreken, waren toen ook controversieel. De uitkomst was vaak gewrongen. Zo moest toenmalig Kamerlid Van Dijke (RPF) zich in 1996 bij de rechter verantwoorden wegens homovijandige uitspraken. Hij mocht ze doen omdat ze religieus waren onderbouwd. Janmaat (CD) kreeg een hele reeks strafzaken te verduren. Hij werd in de meeste gevallen vrijgesproken, maar toch ook voor twee uitlatingen veroordeeld. In de beslissing van maandag ontbreekt node een onderbouwing waarom dat toen nodig werd gevonden en dit vandaag ongewenst is.