Openluchtmuseum

Een bijzondere ontmoeting met de Amerikaanse miss Bergmann op de Joodse begraafplaats in Praag, waar 12.000 grafstenen staan, maar zo’n 140.000 doden begraven liggen.

Als we een beetje doorstappen, is het van ons hotel naar de Joodse wijk in de binnenstad van Praag hooguit twintig minuten, is ons verzekerd. We hebben geen haast. Het is bloedheet en we krijgen zo veel indrukken te verwerken dat we inmiddels al een uur onderweg zijn.

Hoe dichter we het voormalige getto naderen, hoe meer Jugendstil er te bewonderen valt. Het is alsof de klok een eeuw is teruggezet. Ook wordt het steeds drukker.

Een horde Schotse voetbalsupporters heeft de terrassen bezet. Ze hebben hun bovenlijven ontbloot en slempen bier uit grote pullen. Hun jankende doedelzakken ontlokken golven dierlijk gebrul. ‘Winnen!’ schreeuwen ze me toe als ik voorzichtig informeer wat hen naar Praag voert.

Bij de beroemde Joodse begraafplaats sluiten wij aan achter de lange rij wachtenden voor de kassa. Ik wind me op over de toegangsprijs. Gerarda vindt dat ik niet moet zeuren: je kunt met één kaartje vier synagogen en nog twee andere monumenten bezoeken. Mijn humeur wordt er niet beter op als een luidruchtig gezelschap jonge Amerikanen voordringt. De jongelui kunnen de nepkeppeltjes van zwart papier die ze krijgen, meteen plaatsen, maar daarmee is alles over hun kennis van het Jodendom gezegd. Een van hen beweert dat de Tsjechoslowaakse joden die in de Tweede Wereldoorlog omkwamen allemaal op deze begraafplaats liggen. De anderen slikken het voor zoete koek. Ik wil hem vragen of hij wel eens van de Holocaust heeft gehoord, maar volgens Gerarda kan ik me de moeite besparen. Ze voorspelt dat de eeuwenoude graven die ze te zien krijgen en ook de namen van de Joodse slachtoffers op de muren van de Pinkas Synagoge, hen de ogen zullen openen.

Wanneer bij een stoeipartijtje een jonge vrouw tegen me aan smakt, kan ik mijn gram alsnog kwijt. „You’d better find yourself a young man, miss Bergmann’’, snauw ik. Ze staart me verbijsterd aan. Kennelijk realiseert ze zich niet dat ze een badge draagt met haar naam erop.

Op de begraafplaats zien we de Amerikanen terug. Ze zijn doodstil.

De verweerde grafstenen staan dicht op elkaar; schots en scheef alsof de wederopstanding al heeft plaatsgevonden. Er zijn 12.000 stenen, maar er liggen hier naar schatting 140.000 doden – vanaf de Middeleeuwen tot het jaar 1787. Omdat in afwachting van de Messias geen graf geruimd mag worden, zijn de overledenen tot twaalf lagen boven elkaar begraven.

Miss Bergmann heeft ons blijkbaar óók gezien. Ze is de aangrenzende Pinkas Synagoge ingevlucht, een van de Praagse sjoels, die stuk voor stuk ongeschonden uit de oorlog kwamen – met dank aan Adolf Hitler. De Führer wilde een openluchtmuseum van het Praagse getto maken als herinnering aan het uitgestorven inferieure ras. Zijn visioen kreeg, zij het anders dan hij voor ogen had, gestalte in een indrukwekkend gedenkteken. Op de wanden van de Pinkas Synagoge zijn de namen gekalligrafeerd van alle 77.297 joden uit het voormalige Tsjecho-Slowakije die gedeporteerd werden en niet terugkwamen. Op de trap naar de expositie van kindertekeningen uit het concentratiekamp Theresiënstadt komen we miss Bergmann opnieuw tegen. Ze huilt. Het moeten de tekeningen geweest zijn.

Als we langs de wanden met de namen lopen, doet Gerarda een ontdekking die haar tranen misschien eerder verklaren. Ze wijst op een naam. ‘Bergmann’ lees ik.