Elke dag raak ik meer teleurgesteld

De gelijkheid tussen man en vrouw is in de Afghaanse grondwet verankerd.

In de praktijk is het niet zo makkelijk die gelijkwaardige positie op te eisen.

In de zomer van 2002, vlak na de verdrijving van de Talibaan uit Kabul, werkte videojournaliste Saira mee aan een documentaire over de positie van vrouwen in haar land. De film, Afghanistan Unveiled, won internationale prijzen, maar werd in Afghanistan nooit openbaar vertoond.

Zes jaar later durft Saira (24) niet langer met haar eigen naam in de krant. ‘We weten je wel te vinden’, heeft ze al te vaak gehoord. Een broer werd op straat aangevallen, een ander ontvoerd. Zij moet regelmatig verhuizen. „De enige die mij altijd heeft gesteund om cameravrouw te worden, is mijn vader”, zegt ze. „Maar ook hij maakt zich nu grote zorgen.”

Sinds vier jaar heeft de Islamitische Republiek Afghanistan een grondwet waarin gelijkheid tussen man en vrouw is verankerd. Maar in de praktijk is het niet zo gemakkelijk die gelijkwaardige positie op te eisen. Traditionele, vaak tribaal bepaalde omgangsvormen houden de vrouwen op achterstand. Niet de islam, maar de vertaling ervan – door mannen – maakt de vrouwen ondergeschikt, zeggen twee vrouwen die een vooraanstaande rol spelen in de emancipatiestrijd van de Afghaanse vrouw.

Shinkhai Zahine Karokhail (46) werd in december 2005 als onafhankelijke kandidaat gekozen in het parlement. Zij zegt dat ze „optimistisch” is over de toekomst van Afghanistan. Want, zegt ze in haar huis in Kabul: „Ik wil niet pessimistisch zijn.”

Er is vooruitgang, zegt Karokhail. Wegen zijn geplaveid. Mensen knappen hun huizen op. Er is nu politie op straat, al is die soms corrupt. De gezondheidszorg is verbeterd. De overheid biedt vrouwen een baan. Er zijn scholen gebouwd, hoewel nog niet genoeg. „In sommige dorpen klagen de ouders dat hun dochters niet naar school kunnen, terwijl ze vroeger zelfs hun zonen niet naar school stuurden.” Dat geeft hoop, zegt ze. „Er zijn dingen verbeterd. Maar niet zoveel als we hadden gehoopt.”

Suraya Pakzad (37) is oprichtster van Voice of Women Organization in Herat. Die verzorgt cursussen en zet banenprojecten op. Op een geheime locatie beheert de organisatie een opvangtehuis waar vrouwen terecht kunnen die zijn gevlucht voor huiselijke geweld. Of jonge meisjes die willen ontsnappen aan een gedwongen huwelijk met een veel oudere man.

„Ik zou heel graag optimistisch zijn”, zegt Pakzad in haar kantoor. Maar er zijn een heleboel redenen om niet zo optimistisch te zijn, vervolgt ze: geen betrouwbaar bestuur, groeiende onveiligheid, ook in Herat, criminaliteit, corruptie, de aanwezigheid van krijgsheren, armoede, gebrek aan banen. Geen vrouwelijke rechters in afgelegen districten. „Hoe kun je dan verwachten dat iemand opkomt voor de rechten van onderdrukte vrouwen op het platteland?”

Op een kast staat een foto van haar en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice. Die gaf haar dit voorjaar in Washington een prijs voor moed. Daarnaast een foto met president Hamid Karzai. „In 2004 stemde ik op Karzai. Zelfs vorig jaar dacht ik nog dat het misschien wel goed zou komen. Maar nu raak ik elke dag meer teleurgesteld.” Ze opent haar laptop en laat een digitale foto zien. Van een meisje dat gisteren op straat werd doodgeschoten terwijl ze op de bus stond te wachten. Eerwraak. Ze wilde scheiden.

Karkohails vader, stamoudste uit de buurt van Kabul, streed tegen de Russische bezetting. In 1984 vluchtte hij met zijn gezin en 4.500 stamleden naar Pakistan. In Islamabad zette Karkahail samen met haar zus scholen op voor Afghaanse meisjes in de diaspora. In 2004 keerde ze met haar man en kinderen terug naar Kabul.

Nu woont ze op zichzelf met de kinderen. Haar man nam een tweede vrouw. Daar was ze niet van gediend. In 1984, toen ze met haar vader naar Pakistan vluchtte, zat ze in het laatste jaar van de studie geneeskunde. Nu studeert ze in de avonduren politicologie aan de Universiteit van Kabul. En in het parlement kruist ze de degens met de vroegere krijgsheren. „Vijanden binnen het systeem”, noemt ze die. Maar bang voor hen is ze niet. „Ik ben door mijn achtergrond geen makkelijk doelwit”, zegt ze. „Mijn vader was een echte mujahedeen, een echte vrijheidsstrijder. Dat moeten ook de krijgsheren van tegenwoordig, de nieuwe politici en zakenlieden, erkennen.”

Suraya Pakzad van Voice of Women Organization is altijd in Afghanistan gebleven. Ze heeft zes kinderen. Op haar veertiende werd ze uitgehuwelijkt aan een meer dan tien jaar oudere man. „Ik heb geluk gehad”, zegt ze. „Mijn man heeft me altijd gesteund. Niet alleen in woorden, maar ook door mij daadwerkelijk de ruimte te geven om mij in te zetten voor de rechten van vrouwen.”

Tijdens het bewind van de Talibaan, toen ze nog in Kabul woonde met haar gezin, organiseerde ze samen met lotgenoten huiskameronderwijs voor meisjes. Meer dan driehonderd kinderen kregen les op geheime locaties.

Onderwijs, zegt Suraya Pakzad, is de sleutel voor een gelijkwaardige toekomst voor vrouwen in Afghanistan. „Wij proberen vrouwen uit hun isolement te halen. Nu nog zijn het alleen de mannen die bepalen wat goed en wat niet goed is. We hebben mullahs die de Koran alleen mechanisch kunnen reproduceren. Tijdens het vrijdaggebed hebben ze het nooit over de rechten voor de vrouwen waarover de Koran ook spreekt.”

Zij en Karokhail doen dat wel. „Mannen moeten beseffen dat alleen mannen én vrouwen samen aan een betere toekomst voor Afghanistan kunnen bouwen”, zegt Karokhail.