Elk jaar op vakantie met dezelfde vrouw

Dialogue avec mon jardinier. Regie: Jean Becker. Met : Daniel Auteuil, Jean-Pierre Darroussin, Alexia Barlier, Hiam Abbas.In: 9 bioscopen.

Dialogue avec mon jardinier is een fijne Franse film. Niet zo scherp en urgent als het recente migrantendrama La graine et le mulet, maar dat hoeft ook niet altijd. Hier zien we de Europese topacteurs Daniel Auteuil en Jean-Pierre Darroussin hun talent uitleven in een filmduet voor twee heren.

Het resultaat is eerder roerend dan vrolijk, hoewel regisseur Jean Becker nadrukkelijk allebei de registers probeert te bespelen. Het is meer een film voor een glimlach – dat maakt hem ook fijn.

Auteuil speelt een schilder die zich uit het hectische kunstleven en een problematisch huwelijk in Parijs terugtrekt in zijn ouderlijk huis op het platteland, dat een groot stuk grond heeft. Voor die grond zoekt hij een tuinman. De man die aan het begin van de film zijn diensten komt aanbieden, kijkt hem met fonkelende pretoogjes verwachtingsvol aan. Kennen zij elkaar?

Ja, ze waren klasgenootjes. Bijnaam: les risques-tout, de ‘allesdurvers’. Kwajongens, maar leuke kwajongens. De wildheid zit nog in de ogen van Jean-Pierre Darroussin. We krijgen een paar flashbacks te zien uit hun wilde jaren. Die zijn komisch en goed gedoseerd.

Is het hun gedeelde verleden? Is het hun betrekkelijke eenzaamheid? De mannen vallen al snel voor elkaar. In elk geval komt het niet doordat ze op elkaar zouden lijken. Hun verschillen zijn enorm en worden door Becker vakkundig, zij het soms wat mechanisch aangeduid: de Parijzenaar rookt en drinkt en neukt erop los, de ander is matig. De dorpeling gaat elk jaar met zijn vrouw naar Nice met vakantie, ze lopen de boulevard op en neer en gaan op een bankje uitkijken over zee. Elk jaar, vraagt zijn nieuwe vriend ongelovig. Elk jaar.

De razendsnel opbloeiende vriendschap, het volkomen wederzijds vertrouwen is de kiel van Dialogue avec mon jardinier. Op dat plezierige gevoel drijft de film. Hij doet in dat opzicht denken aan Simon van Eddy Terstall, zij het dat het moeilijker is om de aantrekkingskracht van een brallende Amsterdammer in te voelen dan die van een zachtmoedige tuinman. Je zou bijna denken dat Terstall het gelijknamige boekje van Henri Cueco in 2000 voor zijn film (uit 2004) heeft gelezen en de kern ervan overnam voor zijn scenario.

Het is misschien een beetje voorspelbaar wat Becker (nog steeds vooral bekend van het zinderende L’été meurtrier uit 1983) ons aan moraal voorspiegelt. Het leven van de tuinman wordt ons als misschien weinig ontwikkeld („Satie? Wie is dat?”) maar wel diep doorleefd en authentiek voorgesteld. De Parijse kunstenaar is als vanzelfsprekend slim, haastig en oppervlakkig. Een man die zijn geneugten najaagt, maar niet in staat is te bepalen wat nou echt de moeite waard is. Hij krijgt gaandeweg een vermoeden, zeker als hij de vrouw van de tuinman ontmoet (een kleine, maar mooie rol van Hiam Abbas). De mannen doen niet voor elkaar onder in de film, maar het is duidelijk dat het ware leven in de tuin zelf ligt, niet in wat de schilder op zijn doeken afbeeldt terwijl hij in de tuin staat. Becker weet de mildheid van de tuin heel goed over te brengen, met veel zoemende muggen en rijp groen.

De mannen geven elkaar nieuwe namen; de echte krijgen we nooit te horen. De schilder wordt Vanderkwast, de tuinman Vandertuin. Ze doen er een beetje giechelig over, en geheimzinnig. De jonge vrouw die voor een paar dagen met Vanderkwast meekomt, mag eigenlijk niet Vandertuin zeggen.

Op dat niveau dobbert Beckers film, totdat er een beslissende wending in hun samenzijn komt. Die wending is tragisch, maar niet dramatisch. Er is verdriet, maar de schoonheid van die late vriendschap overstijgt het. Per saldo kun je zeggen dat de kunstenaar er een beter mens van is geworden.