De zwavelkopjes zijn naar India

De beste lucifers van Polen werden in Sianów gemaakt.

Nu niet meer. De fabriek is verhuisd naar India. Het dorp zoekt wanhopig naar een betere toekomst.

De grote fabriekshal is leeg, alleen in het midden staat nog één machine, een versleten transportband. „Daar rolden vroeger de luciferdoosjes overheen”, zegt Piotr Wielongowski. „De beste lucifers van Polen.”

De overige machines zijn al ontmanteld, maar de kleine Poolse arbeider – blauwe overal, zwarte kringen om de ogen – kan ze nog steeds zien en horen. „De zaagmachine”, zegt hij, terwijl hij naar een lege hoek wijst. „De hakmachine”, iets daarnaast. „En daar”, zegt hij, nog steeds in de leegte starend, „daar kregen ze een zwavelkopje.”

De globalisering is hard aangekomen in Sianów, een groot dorp (6.500 inwoners) in het noordwesten van Polen, op tien kilometer van de kust, in de glooiende heuvels van Pommeren. Een jaar geleden ging de luciferfabriek op de fles. Het bedrijf, opgericht in 1845, trotseerde 162 jaar branden, oorlogen, zeestormen, volksverhuizingen en grensverschuivingen. Maar de vrije markt kon het niet aan.

De schoorsteen van de fabriek, een toren van rode baksteen, hoort bij Sianów zoals de Eiffeltoren bij Parijs. Hij staat op alle ansichtkaarten en ligt op toeristische fietsroutes. Maar een paar jaar geleden verscheen er een barst in, hij moest een flink stuk worden ingekort. Eigenlijk wist toen iedereen al: daar komt binnenkort geen rook meer uit.

„De inboedel wordt verkocht en gaat naar India”, zegt Wielongowski. „Daar kunnen ze het goedkoper, maar ook slechter. Onze lucifers waren van goede houtsoorten, zaten in mooie doosjes.”

De gebouwen op het fabrieksterrein, allemaal juweeltjes van industrieel erfgoed, zijn nu speelbal van curatoren, deurwaarders en de wind. Alle zeventig werknemers zijn ontslagen, behalve Wielongowski en zes van zijn collega’s. Zij mogen waardevolle onderdelen uit de fabriek slopen, een akelige klus, alsof je in jezelf snijdt, maar werk is werk. Tranen heeft de 42-jarige Pool al lang niet meer. „Elk weldenkend mens kon de catastrofe van mijlenver zien aankomen.”

Op een steenworp van de historische fabriek ligt de toekomst van Sianów: een reusachtige stortplaats voor huisafval. De hele dag door rijden vuilniswagens af en aan, uit de richting van Koszalin, de nabijgelegen grote stad (108.000 inwoners). Geen plaatje voor een ansichtkaart.

Ooit was Sianów beroemder dan Koszalin. Bijna elke stoof in Polen werd aangestoken met lucifers van Polmatch. De fabriek bracht niet alleen werk, maar ook vertier: de eerste tv van het stadje stond in een zaaltje op het fabrieksterrein. Werknemers gingen na hun werk naar huis, om te eten, en kwamen daarna weer terug voor een avondje in de tv-club.

Het bedrijf bezat een blaaskapel, winkels en een eigen vakantiehotel, voor de werknemers, 700 in de hoogtijdagen, in de jaren zeventig en tachtig. „Het was één grote familie, bij Polmatch kwam je de buren tegen”, zegt Ryszard Watroba, de burgemeester van Sianów, die als jongeman ook een tijdje aan de lopende band stond. „In die tijd draaide het bedrijf 24 uur per dag, in drie ploegen.”

Maar na 1989 ging het snel bergafwaarts. De trots van Sianów bleek een broeinest van verborgen werkloosheid. Zonder riante overheidssubsidies verschrompelde de productie, van 500 miljoen doosjes per jaar naar 190 miljoen. Wielongowski zag het met lede ogen aan. „Onze directie begreep niets van marketing”, zegt hij. „De strategie kwam neer op een totale uitverkoop. Als er geld nodig was, werd er snel wat verkocht: een stuk grond, een gebouw, het vakantiehotel. Maar op een gegeven moment is alles op, nietwaar?”

Burgemeester Watroba prijst zichzelf gelukkig. Want het had veel erger kunnen zijn. De fabriek die vorig jaar failliet ging was al een schim van zichzelf. „Stel je voor dat er nog 700 mensen hadden gewerkt, ik weet niet wat ik dan gedaan had.”

Gelukkig is de werkloosheid in Sianów betrekkelijk laag – net als in de rest van Polen. Het stadje had lang 30 procent werklozen, maar mede dankzij de massale arbeidsmigratie naar het Westen is dat nu nog maar 10 procent. „Wie nu geen werk heeft”, zegt Watroba, „wil gewoon niet of kan de fles niet acht uur per dag laten staan.”

De burgemeester heeft een plan. Om het trauma te doen vergeten, het zelfvertrouwen te herstellen: Sianów als slaapkamer van Koszalin. Werken in de grote stad, wonen op het platteland. Aan de rand van het dorp zijn twee hectare beschikbaar voor de bouw van eengezinswoningen.

Maar de projectontwikkelaars lopen er niet warm voor. Iedereen wil wel dichtbij de natuur wonen, maar niet dichtbij een afvalstortplaats. Watroba zucht. Met het afval zijn grote sommen geld gemoeid, inkomsten die Sianów hard nodig heeft. Het is een duivels dilemma.

Sianów had een pittoresk plaatsje kunnen zijn. Overal staan oude Duitse panden – voor de Tweede Wereldoorlog heette het hier Zanow, Polen kreeg Pommeren na 1945 als oorlogscompensatie. Maar 50 jaar communisme heeft diepe sporen getrokken. De historische huizen zijn verwaarloosd, sommige worden met stutbalken overeind gehouden. Wat nog overeind staat wordt overschaduwd door smakeloze nieuwbouw en communistische blokkendozen.

De Duitse huizen heeft de burgemeester eigenlijk al opgegeven. „Het is jammer, maar om die te redden heb je echt heel veel geld nodig”, zegt hij. „Je mag er bijna niets mee, want de staatsconservator is streng.” Er ligt een plan op tafel om stijlvolle luxeappartementen te maken in de oude luciferfabriek, maar de burgemeester verwacht er weinig van. „Voor zulke woningen is nog te veel armoede.”

Watroba gelooft meer in sponsoring. Zo heeft het gemeentelijke afvalbedrijf van Koszalin betaald voor de renovatie van het plein van Sianów. Nieuwe bloembakken, betonnen bankjes, een buste van Johannes Paulus II en twee jonge lindebomen, gezegend door de huidige paus en de vorige. En bus 7, die naar Koszalin, rijdt ook alleen nog maar dankzij de vuilstortplaats. „Niets is gratis”, zegt Watroba. „Dat wordt hier nog niet altijd goed begrepen.”

Uit de grote witte tent aan de rand van Sianów stijgt uit honderden kelen boegeroep op. Achter een tafel zit een zwetende delegatie van het bestuur van Koszalin, de stad die ooit minder beroemd was dan Sianów, maar nu hier monden voedt. Op de agenda staat de uitbreiding van de afvalstortplaats, met 4,6 hectare, bovenop de 23 die nu in gebruik zijn.

Mieczyslaw Dryba is fel tegen het plan. Hij woont met zijn gezin in een van de flatjes tegenover de stortplaats. Volgens hem stinkt het afval ontzettend. En de plastic zakken vliegen iedereen om de oren, sommige bomen in de buurt hangen er vol mee. „Ik ruik helemaal niets”, zegt een gemeenteraadslid uit Koszalin. „Nu valt het mee, omdat er een stevige noordenwind staat”, zegt Dryba. „Maar als hij uit de andere richting komt is het hier niet te harden.”

Burgemeester Watroba wil wel meewerken aan de uitbreiding van de stortplaats, maar belooft de aanwezigen zijn huid duur te zullen verkopen: hij verwacht 2 miljoen euro van het afvalbedrijf uit Koszalin, voor de aanleg van riolen en waterleidingen in Sianów. Een directeur van het bedrijf sputtert tegen en wijst erop dat het dit jaar al flink bijdraagt aan de begroting van Sianów. Het gekibbel duurt drie uur, maar overeenstemming wordt er niet bereikt. Watroba herhaalt zijn mantra: niets is gratis.