Andere naam

Bij de groenteman stond een vrouw voor me die met een zekere achteloosheid 32 euro neertelde voor 800 gram asperges, 200 gram gedopte tuinbonen, wat bonenkruid en een pond (overigens prachtige) kersen. Zeventig gulden, rekende ik snel ouderwets om, voor een handjevol groente en fruit.

Als ik dat mijn moeder zou kunnen vertellen, zou ze van schrik stijf overeind komen in haar graf – om vervolgens achterover te slaan en nooit meer enige sjoege te geven. „Het leven wordt zo duur’’, zei ze vaak. Ze zou het nu onbetaalbaar vinden.

Is het een wonder dat mijn groenteman zich geen groenteman meer laat noemen, laat staan groenteboer? Hij heet groentenier. Ik schoot onmiddellijk in de lach toen ik het woord voor het eerst hoorde, al heb ik toch maar even voor de zekerheid nagekeken of het misschien al aan de nieuwe Van Dale was toegevoegd. Gelukkig nog niet.

Ik moet mijn groenteman toch nog eens vragen hoe je het uitspreekt: op z’n Nederlands of op z’n Frans. In mijn hart vind ik dat zo’n exquise zaak het meeste recht heeft op de Franse uitspraak: groentenjee dus.

De enige die in dit verband nog roet in het eten zou kunnen gooien, is Johan Cruijff. Hem hoorde ik het woord routinier enkele malen op z’n Nederlands uitspreken – het was opeens een route met een nier geworden. Zijn interviewer, Tom Egbers meen ik, deed alsof hij niets hoorde en bleef het woord op de goede manier uitspreken. (Als Cruijff dit leest, zal hij, eigenwijs als hij is, zeggen: „Het woord manier spreek je toch ook niet als ‘maanjee’ uit? Waarom routinier dan wél?’’)

Het is ongetwijfeld de bedoeling van mijn groenteman geweest met de naamswijziging de status van zijn beroep te verhogen. Hij zal zich onbewust gericht hebben op de bankier, de officier en de kanselier. Prachtig, maar heeft hij ook aan de hovenier, de kruidenier, de griffier, de kassier, de sommelier, de palfrenier en de kantonnier (straatmaker) gedacht? Dat zijn, hoe eerbiedwaardig ook, dienender beroepen.

Ik vermoed dat mijn groenteman vooral van dat vervelende groenteboer heeft afgewild. Wie wil er in het hartje van Amsterdam nog boer genoemd worden? Groetenier klinkt aanzienlijk kosmopolitischer.

Intussen heeft zijn vondst ook mij op gedurfde gedachten gebracht – en dat wil wat zeggen.

Wordt het ook geen tijd af te stappen van zo langzamerhand versleten, ja zelfs nogal verdacht geworden benamingen als journalist en columnist? Hier en daar zie ik al aarzelende pogingen in die richting van mensen (meestal mannen) die zich ‘publicist’ noemen. Vaak zijn dat dezelfde mannen die hun vrouw geen ‘vrouw’, maar ‘geliefde’ noemen.

Maar daarmee komen we er niet. Met ‘publicist’ heb ik hetzelfde als met ‘souteneur’: het klinkt mooi, maar het blijft naar ‘hoer’ stinken. En van dat imago zouden journalisten (‘hoernalisten’, zei W.F. Hermans al) en columnisten nu eindelijk eens afmoeten.

Laat ik de stoute schoenen maar aantrekken. Ik heb het woord al op mijn tong genomen, ik heb het geproefd en, eerlijk waar, het smaakt goed. Daarom zou ik me met ingang van vandaag, 2 juli 2008, graag ‘columnier’ willen noemen. Uiteraard met Franse uitspraak.