Werk maakt niet gelukkig

De commissie-Bakker voorziet een groot tekort aan arbeidskrachten.

En toch moeten we allemaal harder gaan werken. Vreemd.

„Stel u voor dat ontslag verboden is”, zo begon TNT-baas Peter Bakker de commissie voor te zitten die zijn naam draagt, „hoe zorg je dan nog voor dynamiek op de arbeidsmarkt?” Vanwege de verwachte overvloed aan banen is het probleem niet: hoe kom ik van mensen af, maar hoe vind ik ze in godsnaam, aldus de man die van plan is 1900 postbodes te laten afvloeien.

Die briljante verdwijntruc onttrekt aan het zicht dat het rapport verder gaat in de richting van een beheerste flexibilisering van de arbeidsmarkt dan minister Donner (Sociale Zaken, CDA) had durven dromen. Het rapport bevat het meest brede maar ook concrete plan voor flexicurity dat tot nu toe door een officieel adviescollege is opgesteld.

De grootste surprise van het rapport is de kanteling van het perspectief op de toekomstige arbeidsmarkt. Niet de dreigende werkloosheid is het grootste probleem, maar juist het tekort aan mensen. Vanwege de krimpende beroepsbevolking is er tot 2040 een daling te verwachten van 1 miljoen mensen, terwijl de vraag naar arbeid flink doorgroeit. In 2016 zouden al 400.000 extra vacatures moeten worden vervuld, in 2040 komen we zo’n 700.000 werknemers tekort. Sapristi! Het oude sociaal-democratische ideaal van de (meer dan) volledige werkgelegenheid, waar we niet meer op durfden te hopen, is plotseling weer in zicht.

Niet dus. De commissie-Bakker vertrouwt wel erg gemakkelijk op de glazen bol van de demografische vergrijzingscijfers. Die zogenaamd harde cijfers zijn in feite boterzacht. Het is duidelijk dat er ernstige lacunes zullen ontstaan in de publieke sector. Tot 2030 zijn in verband met de vergrijzing een half miljoen mensen extra nodig in de zorg, en meer dan een kwart miljoen in het onderwijs, om de hoge uitstroom van leraren te kunnen opvangen. Het is daarom teleurstellend dat het rapport zich niet uitspreekt over de relatie tussen de vraag naar werk in de marktsector en de publieke sector, en geen steviger perspectief schetst op de noodzaak tot verhoging van de kwantiteit en de kwaliteit van publieke voorzieningen. Daarvoor moeten immers niet alleen veel meer banen worden geschapen in de publieke sector maar moeten ook de beroepen die nu onder druk staan veel aantrekkelijker worden gemaakt, bijvoorbeeld door middel van een betere beloning en het bevorderen van professionele trots.

Eigenlijk zou het niet zozeer moeten draaien om de vraag hoeveel werk door de toekomstige arbeidsmarkt wordt gevraagd, maar welk soort werk we belangrijk vinden voor de kwaliteit van onze samenleving. Aan leraren en verpleegkundigen hebben we op dit moment meer behoefte dan aan bankiers en beursspeculanten. Dat vergt forse investeringen in publieke voorzieningen. Deze broodnodige investeringen kunnen niet worden overgelaten aan de vrije markt.

Ook het rapport van de alternatieve commissie die werd geleid door de D66’er Bert Bakker neigt op dit punt naar marktfundamentalisme. Ook Bakker-II voorspelt een blijvend en structureel tekort aan arbeidskrachten, en zet flexibiliteit en arbeidsparticipatie bovenaan, met behoud van een stevig sociaal vangnet voor de ‘echte pechvogels’. Maar die hogere arbeidsdeelname kan volgens Bakker-II niet worden gerealiseerd door overheidsbanen te scheppen.

Dat is een schijnoplossing, want dergelijke ‘subsidiebanen’ zijn niet duurzaam, gaan niet uit van de talenten van het individu en houden mensen gevangen in ‘publieke werkvoorzieningen’. Publieke banen zouden bovendien ‘echte’ banen verdringen, direct en indirect, omdat ze worden betaald uit lastenverzwaringen. Maar het is een willekeurig ‘materialistisch’ sentiment dat bepaalt dat alleen door de markt geschapen banen productief en duurzaam zijn, in tegenstelling tot ‘publieke’ banen.

Een tweede teleurstelling die beide rapporten treft is hun fixatie op maximale arbeidsparticipatie in de vorm van voltijds betaald werk. We kunnen ons geen vrijblijvendheid meer veroorloven. Geen thema wordt er door de beide Bakkers dan ook zo ingehamerd als de noodzaak van een nieuw arbeidsethos. Werken is leuk, levert sociale contacten, zelfrespect en vertrouwen op, en draagt bij aan de integratie en de sociale cohesie. We moeten dus harder en langer gaan werken, ook vrouwen die nu deeltijdbanen hebben en ouderen die te vroeg met pensioen gaan. Inactiviteit moet koste wat kost worden vermeden.

Die conclusie ligt niet meteen voor de hand. Is het niet logischer, als er veel meer banen dan mensen zijn, om de hoeveelheid werk te verminderen, niet harder maar juist zachter te gaan werken? En kan, in plaats van iedereen meer uren te laten maken, het werk niet beter worden verdeeld?

Wat is er gebeurd met het ideaal van de ontspannen arbeidssamenleving, waarin iedereen zoveel mogelijk de vrije keuze heeft om betaald en onbetaald werk af te wisselen met vrije tijd? Beide rapporten bewijzen summiere lippendienst aan het feit dat participatie ook ‘maatschappelijke’ participatie kan zijn, bijvoorbeeld in de vorm van mantelzorg of vrijwilligerswerk. Maar het accent ligt duidelijk op betaald werk in de marktsector. Het begrip ‘vrije tijd’ komt in beide rapporten nauwelijks voor.

Dat Nederland wereldkampioen deeltijdwerk is moet misschien niet als een probleem maar juist als een verworvenheid worden gezien. Net als het feit dat er in Nederland ‘slechts’ 1400 uur per jaar wordt gewerkt, tegen bijna 1700 uur in Groot-Brittannië en Finland. Zouden we in plaats van voltijdse arbeid niet beter kunnen kiezen voor de norm van deeltijdarbeid voor iedereen?

We kunnen twee dingen doen: ofwel inzetten op maximale economische groei en maximale arbeidsparticipatie, of streven naar een meer ontspannen samenleving met minder druk en stress en meer rust en vrije tijd. Iedereen moet de vrijheid hebben om méér, maar ook om minder te kunnen werken, of op een andere manier te participeren in de maatschappij. Maar om die vrijheid te realiseren is een grotere mate van herverdeling nodig van werk en middelen: een eerlijker verdeling van de welvaart tussen insiders en outsiders, tussen de generaties en tussen rijk en arm.

Er is daarom een heel ander soort cultuuromslag nodig dan die de beide Bakkers voorstaan. We moeten een invulling geven aan begrippen als flexibiliteit en inzetbaarheid die minder is gericht op betaalde arbeid en meer op soepele combinaties van werk, zorg, scholing en vrije tijd.

Het ‘werkbudget’ moet een ‘leefbudget’ worden, en de ‘werkverzekering’ moet veranderen in een ‘welvaartsverzekering’. Je kunt het tegenwoordig bijna niet meer zeggen, maar een basisinkomen voor iedereen, dat de band tussen werk en inkomen losser maakt, is hiervoor nog steeds de beste oplossing.

Degenen die het niet kunnen laten om voltijds te werken moeten dat vooral doen. Maar zij moeten hun overspannen arbeidsethos niet opleggen aan de rest van de maatschappij. De commissie-Arbeidsparticipatie (Bakker-I) bestaat net als de commissie-Echte Arbeidsparticipatie (Bakker-II) uit workaholics die dit klusje er nog even bij hebben gedaan naast hun ‘normale’ werkweken van 60-80 uur. Onze hele economische en politieke elite bestaat in feite uit dergelijke werkverslaafde stresskippen. Maar arbeid adelt niet altijd. Arbeid kan ook beschadigen. Beschaving is matiging. Dat geldt ook voor het werk dat wij met zijn allen verrichten.

Dick Pels is voorzitter van de links-liberale denktank Waterland.