‘Vuur’ van Mart Smeets

In godsnaam de Olympische Spelen dan maar! Het is een belangrijk voordeel (zonder nadeel) in dagen van rouwverwerking; in het nieuwe boek van Mart Smeets komt geen voetbal voor. In Vuur (Nieuw Amsterdam, € 14,95) schrijft de televisiepresentator – je hebt een hekel aan hem of je kunt geen hekel aan hem hebben – over zijn ervaringen met olympische sporters.

De traditie wil dat elk sportboek van Smeets minstens één prachtig verhaal bevat. Zo heb ik nooit iets mooiers over de zwijgzaamheid van vijfvoudig Tourwinnaar Miguel Induraín gelezen dan in Smeets’ boek Dertig (2002). Het beste stuk uit Vuur is een lang gesprek met volleyballer Ron Zwerver over de deplorabele sfeer waarin de Nederlandse ploeg olympisch kampioen werd in Atlanta 1996.

Voor de volleybalkenner zal het oude kost zijn, maar het is hoogst verwonderlijk te lezen hoe al die mannen met namen die je nog net niet bent vergeten (Held, Posthuma, Görtzen) het eindeloos met elkaar aan de stok hadden. Over kwesties als de foto van zijn vriendin die Guido Görtzen in zijn kamer wilde ophangen, maar wat niet mocht van zijn kamergenoot Brecht Rodenburg, (u weet wel), waarna Görtzen de rest van de Spelen door zijn teamgenoten werd gejend. Als je Zwervers’ relaas leest, is het een wonder dat de volleyballers toen überhaupt een wedstrijd hebben gewonnen. Het gesprek met Zwerver is een van de vele stukken in het boek met sporters die Smeets goed kent.

De grappigste stukken zijn die waarin hij de echt grote sportsterren interviewt. Al is het maar omdat daarin blijkt hoe diep de bewondering van de verslaggever is voor echt grote sporters zoals de alom gehate atleet Carl Lewis. Driemaal sprak hij die, eenmaal lang en tweemaal heel kort. In het lange gesprek (1984) is hij kritisch, het tweede gesprek (in 1990) is te kort om journalistiek te zijn en in het derde gesprek (1996) merkt Smeets tot zijn verbijstering dat Lewis zich de voorgaande korte ontmoeting herinnert. De ster lijkt als was in Smeets’ handen. (‘Any time baby, any time.’) Maar er is geen cameraploeg, dus de journalist kan zijn werk niet doen.

De journalist Smeets laat zich in Vuur ook van zijn knorrige kant zien, met verwijzingen naar de paar tv-minuten die er overblijven van mooie interviews, of met klachten over collega’s die pochen dat zij de enige Nederlanders zijn die basketballer Michael Jordan ooit interviewden – Smeets deed dat vier keer.

Veel leuker is hij wanneer hij anno 2000 in een zielloos zaaltje op Schiphol de Roemeense turnlegende Nadia Comaneci (een 10 in 1976) in het bijzijn van haar echtgenoot mag interviewen. Eigenlijk zegt ze weinig opmerkelijks; iets over de Sovjet-Unie, iets over de harde Roemeense school en iets over het liefdadigheidswerk dat ze doet. Hij vraagt haar nog wanneer ze voor het laatst een flikflak heeft gedaan en zij zegt dat het daar op Schiphol in elk geval niet gaat gebeuren, wijzend op haar korte rok. Smeets is dan allang gesmolten: ‘Ik vond haar leuk.’ De schat.

Arjen Fortuin