Sympathieke oplichters in Gaza

Erez, de grensovergang tussen Israël en de Gazastook, is al jaren goeddeels gesloten.

De kruiers die er werken moeten de kost verdienen met slechts enkele reizigers.

De kruiers van Erez zijn de sympathiekste oplichters die ik ken. Erez, de onheilspellende grensovergang tussen Israël en de Gazastrook, is het werkterrein van een paar Palestijnse mannen. Zij mogen de bagage van de reizigers van en naar de geïsoleerde strook land dragen. Maar omdat vrijwel niemand de overgang door mag, doen ze weinig meer dan tric trac spelen op kartonnen dozen. Goedgemutst lichten ze de paar reizigers op die ze per dag begeleiden. Ze bieden aan voor vijf shekel (nog geen euro) je koffer te dragen. Aan het einde van de vijfhonderd meter lange weg door onguur niemandsland is de prijs plotseling verdubbeld. Of verviervoudigd.

Maar ja. Kruier zijn op Erez, minder benijdenswaardige baantjes zijn moeilijk te vinden. De grenspost is een futuristische terminal van beton, talloze toegangshekken en draaideurtjes. Ooit is de overgang gemaakt voor duizenden Palestijnse arbeiders, die in Israël konden komen werken. Maar na de tweede intifadah is de grens goeddeels gesloten. Mensen zie je er niet. Na een paspoortcontrole houdt het intermenselijk contact op en begint een eenzame tocht door geairconditionde gangen – van poort tot poort. Gele pijlen wijzen de weg naar de uitgang, camera’s volgen je gangen. Aan het einde van de terminal gaat een piepklein deurtje open in de acht meter hoge muur die Israël en Gaza scheidt. Daarachter begint een halve kilometer niemandsland.

Dit is het gebied waar de kruiers werken. Het begint met een lange betonnen gang, vervolgens staat er een hek dat af en toe opengaat. Daarna: weer een betonnen gang. Het niemandsland eindigt met een verwoeste vlakte. Dit was ooit het industriegebied van Gaza, maar sinds de bulldozer er heeft huisgehouden, kan het Israëlische leger iedereen van ver aan zien komen.

Terwijl ze de koffers dragen, worden de kruiers in de gaten gehouden door een grote, met camera’s gevulde zeppelin, Israëlische soldaten in wachttorens en de meestal wat slaperige Palestijnse douane. Hun gele en oranje hesjes vormen hun enige bescherming. Over hun hoofden vliegen soms de Qassam-raketten van de Islamitische Jihad of de mortiergranaten van Hamas. Even later vliegen daarna van de andere kant de Israëlische gevechtsvliegtuigen over.

Ook de grensovergang zelf is regelmatig doelwit. Dat is de reden dat er geen Israëlische soldaat te zien is. Een paar weken geleden ontplofte er aan Palestijnse zijde een vrachtwagen met explosieven tegen een van de betonnen muren aan. Misschien was het de bedoeling een opening in de grens te forceren. De chauffeur kwam om het leven, de kruiers bleven wonder boven wonder ongedeerd.

Een van hen loopt mee naar de plek waar het gebeurde. Een hoop kapot beton is te zien. Maar dat zegt niets. In dit gebied is alles kapot beton. „Hier gebeurde het. Boem! En toen een enorme vuurbal. Ik was zo bang. Ik kon nachten niet slapen.” Met zijn vuist imiteert hij zijn bonkende hart. Maar genoeg hierover, zegt hij, en kwebbelt vrolijk verder. „Wil je weten hoeveel talen ik spreek? Zes, misschien wel zeven. En ik heb vijf kinderen.”

Terwijl we door het niemandsland lopen, is het staakt-het-vuren tussen Israël en de Palestijnse partijen een week oud. De kruier en zijn collega’s hadden op meer verkeer gehoopt, zeggen ze. Israël had beloofd de grenzen te openen. Maar dat is niet gebeurd. Sterker, nadat de Islamitische Jihad vorige week weer raketten heeft geschoten, is de grens weer grotendeels gesloten voor personen. Daarmee is de bron van inkomsten voor de kruiers weer opgedroogd. Ieder besluit in het conflict tussen Israël en de Palestijnen heeft direct weerslag op het werk van de kruiers.

Na een kwartier lopen zijn we aan de Palestijnse kant. „Het heeft geen zin om te mopperen”, zegt de kruier. Hij zet de koffer neer. „Dat is dan tien shekel.” Hij wijst naar een collega in de verte. „En tien voor mijn vriend.”