Sarkozy is acteur, producent en regisseur tegelijk

De Franse president Nicolas Sarkozy gebruikt journalisten als doorgeefluik voor zijn boodschappen. Een journalist van Le Monde beschreef hoe hij dat doet.

Stel, je zit ’s avonds laat op een terrasje met Nicolas Sarkozy in de Franse badplaats La Baule. De politicus heeft liefdesverdriet, en ook wat gedoe met politieke rivalen. Om aan te tonen dat hij het leven nog wel aan kan, hebben zijn adviseurs een stoffige liedjesschrijver uitgenodigd, Denis Barbelivien. Ze maken er een feestje van. Barbevilien speelt op zijn gitaar liedjes als Sarkozy titels roept. De andere aanwezigen zingen mee, roepen ook titels.

Probleem: die anderen zijn vooral journalisten, net als jij. En je wilt afstand houden. Wat doe je? Wegrennen? Meezingen? Of je mond houden maar wel blijven, want alles kan nuttig zijn voor je volgende artikel?

Philippe Ridet, politiek verslaggever van dagblad Le Monde, bleef zitten. Achteraf had hij wel „het ongemakkelijke gevoel in de val te zijn gelopen, ingehuurd voor een figurantenrol die schaamte veroorzaakt.” Nu noemt hij het tafereel in La Baule, dat zich ontrolde in 2005, de ‘oerscène’ van het sarkozysme, getekend door dubbelzinnige relaties tussen journalisten en de politicus die toen nog geen Franse president was.

Zo staat het in Ridets boek Le Président et moi, dat dit voorjaar verscheen. Ridet volgde Sarkozy voor Le Monde van 1995 tot dit jaar. Hij deed verslag van de jarenlange opmars van een talentvol politicus die het uiteindelijk tot Frans president heeft gebracht. Maar ook van de ontwikkeling van een mediafenomeen.

Dat fenomeen is sinds vanmorgen voor een half jaar voorzitter van de Europese Unie. Toeval of niet: de eerste bijeenkomst op zijn programma was de ontvangst op het Elysée van enkele tientallen journalisten die vanuit Brussel over de EU schrijven.

Er zullen geen grote interviews over verschijnen. Zingen zullen ze waarschijnlijk ook niet. De bijeenkomst dient als ‘achtergrond’ voor de journalisten: ze doen er nuttige informatie op, maar kunnen die niet toeschrijven aan hun bron. Achtergrondbijeenkomsten zijn niet ongebruikelijk tussen politici en journalisten.

Maar zo’n begin van zijn Europees voorzitterschap past wel uitstekend bij de reputatie van Sarkozy als bespeler van de publieke opinie. Zijn voorganger als Frans president, Jacques Chirac, probeerde jarenlang vergeefs zijn partijgenoot uit te schakelen als troonpretendent. Maar of hij nu genegeerd werd of benoemd op lastige ministersposten als Binnenlandse Zaken of Financiën, Sarkozy bleef in het nieuws – en werd almaar bekender, en populairder. Ruim een jaar is hij nu president, en bijna iedereen in Europa kan wel een paar associaties opnoemen bij zijn naam.

Carla Bruni is vaak de eerste. Zangeres, ex-model, met wie hij een flitsende doorstart maakte na de scheiding van zijn vorige echtgenote in september – toch nog twee jaar na de scène in La Baule. Sarkozy en Bruni trouwden in februari, over exact drie weken brengt zij een nieuwe cd uit.

Tweede associatie: Sarkozy is hyperactief. De afgelopen maanden is hij over de hele aardbol gesignaleerd, van Peking tot Dakar, van Washington tot Betlehem. En altijd camera’s mee. Het geeft de indruk van alomtegenwoordigheid. En van tomeloze ambitie. Wat precies zijn plannen zijn, weet misschien niet iedereen spontaan te zeggen, maar dat ze groot zijn, met Frankrijk, met Europa, met de wereld: dat spreekt voor zich.

Hoe komt Sarkozy zo bekend? Door Bruni, door zijn energieke optreden, of (ook) door zijn bijzondere relatie met de pers?

Er is een foto die de aandacht vestigt op zijn band met de media. De foto is genomen tijdens de campagne voor de Franse presidentsverkiezingen vorig jaar. Nicolas Sarkozy zit in het midden, de blik half devoot, half spottend ten hemel geslagen, zijn handen vroom gevouwen. De omstanders, dicht in een halve ronde achter hem opgesteld, lachen. Bewonderen ze hem? De mannen links zijn communicatiemedewerkers. Maar al die anderen, met opschrijfboekjes? Dat zijn journalisten.

De foto is bekend geworden als het ‘bewijs’ dat Sarkozy bestaat door, voor en met de media – groot geworden in een incestueuze omhelzing van pers en politiek. In Den Haag is het codewoord daarvoor kaasstolp, in Parijs ‘connivence’.

Maar klopt dat verhaal? Ridet beschrijft in Le Président et moi zijn eigen rol in het verhaal achter de foto. Vlak voordat de fotograaf afdrukte, stelde Ridet een vraag aan Sarkozy. De kandidaat, die de journalist niet kan zien omdat die achter hem staat, neemt dan zijn devote pose aan om te antwoorden met een geintje: „Is het inderdaad Philippe Ridet die met mij spreekt? Ik ben in communicatie met u!” Ironie dus, een politicus die speelt met journalisten die hij al jaren kent. En passant laat Sarkozy zien welk belang journalisten voor hem hebben. Zij zijn het medium waarmee hij contact maakt om boodschappen door te geven. Doorgeefluik van het grootste belang.

Volgens Ridet lachen de omstanders, omdat Sarkozy inderdaad even grappig is. De foto weerspiegelt volgens hem „een sfeer van, al met al, geluk van deze campagne in zijn voetspoor”. Maar ze is, erkent Ridet, ook uitgegroeid tot „een allegorie van de incestueuze betrekkingen tussen journalisten en politici”. Zo’n evident cliché, vindt hij, dat het zinloos is er tegenin te gaan.

Le Monde is er de afgelopen jaren regelmatig van beschuldigd de opkomst van Sarkozy in de hand te hebben gewerkt. Bij de verkiezingen riep de krant weliswaar op om niet op Sarkozy, maar op zijn tegenstrever Ségolène Royal te stemmen. Maar als je op internet Philippe Ridet en Sarkozy intikt, verschijnt een lange lijst verwensingen op het scherm over de journalist als „minister van Informatie”.

Toch leest Le Président et moi niet als een poging van een omstreden journalist zijn straatje schoon te vegen. Ridet schrijft met veel zelfspot en af en toe oprecht ongemak over de nabijheid die inderdaad ontstaat als je jarenlang dag in dag uit één politicus volgt – en Sarkozy in het bijzonder.

Anekdotes te over. Hoe Ridet zich voelt als Sarkozy hem benoemt tot ‘minister van Overzeese Gebiedsdelen’. Erkenning toch wel, en opwinding over deze eersteklas kans om van binnenuit verslag te doen. Het blijkt een droom, die terugvoert naar een persreisje waarin Sarkozy, bij wijze van spelletje, de journalisten in een denkbeeldige regering benoemt.

Hoe Sarkozy hem in de campagnetijd na belangrijke redes tijdens de zondagse maaltijd opbelt, om te vertellen dat hij tevreden is over zichzelf. Sarkozy ziet journalisten volgens Ridet nu eens als een kiezerspanel van doorsnee-Fransen, dan weer als vijanden die hem proberen tegen te houden, dan weer als de vrienden wier blik hij overal op reis als eerste zoekt.

Sinds Sarkozy president is, is er volgens Ridet wel wat veranderd. Sarkozy bewaart een grotere afstand. Geen telefoontjes meer, geen ontboezemingen. Hij is feller geworden, vooral tegenover de politieke journalisten die ook al zijn campagne volgden. Zijn voorkeur gaat nu uit naar diplomatieke journalisten die hem een internationale statuur kunnen verlenen. Ridet heeft een nieuwe oerscène van het sarkozysme gevonden: op reis in China loopt hij buiten gehoorsafstand naar een oninteressante plaats waar hij begint te wijzen naar niets: aangevoeld dat de fotografen een plaatje nodig hadden. Op afstand.

Sarkozy, zegt Ridet, is acteur, producer, regisseur van zijn nieuws. Hij hoeft journalisten niet meer te bewerken, want hij verkoopt toch wel. Maar als hij in Sofia, Algiers of Peking uit het vliegtuig stapt, begint hij toch altijd even te glunderen als hij hen ziet, weet Ridet: „Een bekende zien, dat is voor hem allereerst een journalist zien.”