Rendement op spaargeld laag of hoog?

Els Schot-Tekelenburg (61) uit Leersum vraagt zich af waarom de Belastingdienst vasthoudt aan een fictief rendement op spaargeld van 4 procent. Bovendien wil ze weten of rentepercentages op spaarloonrekeningen kunnen worden aangepast. „Door mijn huidige werkgever is indertijd 2 procent aangegaan. Dat is toch wel erg laag?”, schrijft ze.

De Belastingdienst laat weten dat de overheid bij het vaststellen van het rendement op vermogen (box 3) uitgaat van de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk (...) gemiddeld moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. Vier procent dus volgens de Belastingdienst. Dat percentage geldt voor het hele vermogen, niet alleen uit spaargeld.

Ir. Frank W. van den Berg, assistant professor Financiële Economie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, vindt vier procent een realistische schatting. „Over de langere termijn middelen de opbrengsten van spaargeld en beleggingen. Vier procent rendement is dan niet onrealistisch.”

Daar staat tegenover dat voor mensen die alleen een bescheiden spaarrekening hebben, 4 procent veel kan zijn. Een dergelijk rendement haal je alleen maar als je een spaarbank heel goed uitkiest. Veel grote banken zitten daar ver onder. Hoewel het even wat rompslomp geeft, adviseert Van den Berg dan ook iedereen over te stappen naar een spaarbank die een hoge rente biedt. Kijk daarbij ook naar buitenlandse banken op de Nederlandse markt. Ze vallen meestal onder de garantieregeling van De Nederlandsche Bank en je spaargeld is daar, tot een bedrag van 20.000 euro per persoon, 100 procent veilig. Op een bedrag daarboven tot 40.000 euro zit een garantie van 90 procent; bij een en/of-rekening gelden dubbele bedragen.

Nog treuriger dan met gewone spaarrekeningen is het gesteld met spaarloonrekeningen. Over deze tegoeden krijg je meestal, net als mevrouw Schot, maar een paar procent rente. In de spaarloonregelingen zit een ‘systeemfout’, zegt Jeroen Visser, econoom bij de FNV Vakcentrale.

Deze fout houdt in dat de werkgever, die de overeenkomst voor een spaarloonregeling met een bank of verzekeraar afsluit, geen belang heeft bij een hoge rente. Hij heeft kosten aan de regeling, maar geen baten. Daarom zal de werkgever weinig moeite doen de hoogste rente te zoeken voor zijn of haar werknemers. Deze werknemers doen toch wel mee, ongeacht de rente, omdat de regeling sowieso fiscaal voordelig is. Banken en verzekeraars profiteren daarvan.

Omdat spaarloon geen collectieve regeling is en niet vastligt in cao’s, hebben werknemers er weinig over te vertellen. Ze zijn afhankelijk van de afspraken over de rente tussen werkgever en bank of verzekeraar.

Visser denkt dat het wel de moeite waard zou zijn als werknemers en ondernemingsraden hun werkgever zouden aansporen elk jaar opnieuw om zich heen te kijken waar de beste rente valt te halen. De werkgever kan immers heronderhandelen over het contract of overstappen naar een andere bank of verzekeraar. Juist nu in deze tijd de rente op spaarrekeningen oploopt, kan dat interessant zijn.

Marike Kerbert