Overheid vereffent oude rekening

Het ministerie van Economische Zaken maakte vandaag bekend dat de luchtvaartindustrie bijna drie keer zoveel moet bijdragen aan het JSF-project als verwacht.

Het was vandaag ‘D-day’ voor de Nederlandse luchtvaartindustrie. Al in 2002 was duidelijk dat deze dinsdag, 1 juli 2008, hét moment zou zijn waarop de financiële problemen rond de Nederlandse deelname aan de ontwikkeling van het Joint Strike Fighter-programma (JSF) weer naar boven zouden komen. Vandaag presenteerde het ministerie van Economische Zaken (EZ) de rekening die in 2002 door de overheid en het bedrijfsleven werd doorgeschoven.

Voor de luchtvaartindustrie is het even slikken.

Zes jaar geleden konden beide partijen het niet eens worden over het aandeel van de luchtvaartindustrie in de overheidsinvestering van 800 miljoen euro in het Amerikaanse straaljagerproject. De deal was duidelijk. De overheid schoot de 800 miljoen in feite voor, het bedrijfsleven kon dat via miljardenorders terugverdienen en moest op termijn meebetalen. Maar hoeveel dat precies was, bleef onduidelijk. En dus werd afgesproken dat de financiële gevolgen van het JSF-project in 2008 zouden worden doorgerekend, en dat dan de definitieve afdracht van het bedrijfsleven voor de komende decennia zou worden vastgelegd.

Het leek een mooi compromis. Maar nu heeft de industrie spijt. Interne berekeningen van EZ laten zien dat het JSF-project zich ongunstig heeft ontwikkeld voor de overheid. Het financiële tekort is daardoor opgelopen van 191 tot 308 miljoen euro. Gevolg: het bedrijfsleven moet bijna drie keer zoveel betalen als in 2002 was voorzien. Werd er in 2002 nog van uitgegaan dat de industrie in de komende decennia 3,5 procent over de omzet uit JSF-projecten zou afdragen aan de staatskas, het nieuwe afdrachtspercentage komt uit op 10,3 procent, zo maakte EZ vandaag bekend.

De luchtvaartindustrie is niet van plan die rekening te betalen. In het contract dat de partijen in 2002 sloten, staat dat er tot eind augustus onderhandeld kan worden. Daarna volgt arbitrage en dat lijkt onontkoombaar.

Zo dreigt er een patstelling. Want van de kant van de overheid is er bijzonder weinig ruimte om te manoeuvreren. Destijds is altijd benadrukt dat het JSF-project, in de woorden van oud-premier Kok, „rond moet lopen” en de belastingbetaler uiteindelijk niets mag kosten. Onlangs herinnerde PvdA-fractievoorzitter Hamer daar nog eens fijntjes aan: er wordt volgens haar geen cent extra belastinggeld in het JSF-project gestoken. Maar voor de industrie is het buigen of barsten. De marges in de luchtvaartsector zijn klein. Als de bedrijven inderdaad 10,3 procent over hun omzet zouden moeten gaan afdragen, verdampt de winst.

Toch kunnen de problemen niet onverwachts komen. Al in 2002 waarschuwden het Centraal Planbureau, ambtenaren van het ministerie van Financiën én de Tweede Kamer voor het drijfzand waarop het JSF-besluit was gebouwd.

Extra complicerend daarbij is dat er in het JSF-dossier twee besluiten door elkaar heen lopen: de financiële discussie met het bedrijfsleven en de daadwerkelijke aanschaf van de JSF als vervanger voor de F-16 straaljager, waarmee 5,67 miljard euro is gemoeid. Dat besluit is nog steeds niet gevallen.

Pas in 2010, is in het regeerakkoord afgesproken, zal er een definitieve keuze worden gemaakt. Voor die tijd moet de luchtmacht de verschillende kandidaten opnieuw evalueren. Europese concurrenten van de JSF als Eurofighter en Rafale hebben al aangegeven weinig trek te hebben in een selectieproces dat in hun ogen maar één winnaar kent: de JSF.

De PvdA eist echter van Defensie dat de tweede kandidatenevaluatie volledig onafhankelijk zal verlopen. Maar die ‘onafhankelijke’ kandidatenevaluatie lijkt een achterhoedegevecht. Want door het besluit uit 2002 om 800 miljoen dollar (destijds 858 miljoen euro) in het project te stoppen, kan Nederland eigenlijk niet meer van de JSF af. Het zou de schatkist ruim 450 miljoen euro kosten, rekende het ministerie van Defensie recentelijk nog uit.

Met het besluit om deel te nemen aan de ontwikkeling van de JSF, legde Nederland zich dus al grotendeels vast. Dat kwam met name de Luchtmacht, groot voorstander van aanschaf van de JSF, goed uit.

Het kabinet benadrukte destijds niet zozeer de toekomstige aanschaf van de straaljager, maar de voordelen van deelname aan de ontwikkeling van het toestel. Die zou 8 à 10 miljard aan omzet voor de industrie opleveren. Bovendien, beloofde minister Zalm van Financiën: de investering zou worden terugverdiend en niet meer mogen kosten dan kopen ‘van de plank’. Volgens het kabinet kon dat makkelijk. Er werd een ingewikkeld rekenmodel (de ‘businesscase’) ontwikkeld die dat moest onderbouwen. Zo zou Nederland geen ontwikkelingskosten meer hoeven te betalen als het de JSF zou aanschaffen en zou het meeprofiteren van royalty’s die andere landen moesten betalen als ze het vliegtuig kochten.

Probleem was alleen dat de businesscase was gestoeld op fictieve aannames waarvan sommige al in 2002 als discutabel te boek stonden, zoals het totaal aantal te bouwen JSF’s of het verwachte aantal te verkopen toestellen aan het buitenland. Ambtenaren van het ministerie van Financiën hadden in 2002 dan ook twijfels. Op last van minister Zalm werden de aannamen in de businesscase naar beneden bijgesteld. Meedoen met de ontwikkeling werd daardoor ineens 191 miljoen euro duurder dan kopen ‘van de plank’. Het bedrijfsleven zou maar garant moeten staan voor het gat in de businesscase. De industrie ging morrend akkoord, onder één voorwaarde: de echte rekening zou worden opgemaakt in 2008. En dat is vandaag gebeurd.

Eerdere artikelen over de JSF staan op nrc.nl/jsf