Boeken

Lezen met ALS: versnelde levens

Vandaag: The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde

Pieter Steinz, oud-Chef Boeken van NRC Handelsblad, heeft de progressieve spierziekte ALS. In een rubriek verbindt hij zijn ziekteverloop met de boeken die hij herleest. Vandaag: The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde.

In The Picture of Dorian Gray, de enige roman van Oscar Wilde, wordt de decadente titelheld getroffen door het portret dat een schilder van hem heeft gemaakt. Verzuchtend dat het oneerlijk is dat het doek de schoonheid zal behouden die hij moet verliezen, roept hij uit: ‘O, was het maar andersom! Als het schilderij zou kunnen veranderen, en ik blijven zoals ik ben.’ Dorians wens gaat in vervulling, ook al omdat hij bereid is er met zijn ziel voor te betalen. Terwijl zijn uiterlijk onveranderd blijft, tekent zijn kwade inborst zich af op het wonderportret, dat een afzichtelijk verouderende figuur toont. Pas na een jaar of twintig begint Dorian Gray van zichzelf te walgen. De jong gebleven losbol kan de aanblik van het schilderij niet meer verdragen en steekt er met een mes op in. Een half uur later wordt hij gevonden: ‘Op de grond lag een dode man in avondkleding, met een mes door zijn hart. Hij was verschrompeld, gerimpeld en weerzinwekkend van gelaat. Pas nadat ze naar zijn ringen hadden gekeken, begrepen ze wie het was’ (vert. Else Hoog).

Het slot van The Picture of Dorian Gray (1891) is de suggestiefste beschrijving van plotselinge veroudering in de literatuur. Ik kan me voorstellen dat er in verfilmingen van het boek (die ik niet gezien heb) een spectaculair nummer van wordt gemaakt, met behulp van veel grime en time-lapse-fotografie; maar meer dan Wildes acht woorden heb je eigenlijk niet nodig om de transformatie van jong naar oud voor je te zien. Het beeld van de snel verwelkende Dorian heeft de afgelopen maanden dan ook vaak door mijn hoofd gespookt – terwijl ik me verder liefst zo min mogelijk met hem identificeer.

ALS wordt bijzonder gevonden omdat het fataal en zeldzaam is; slechts 8 op de 100.000 mensen hebben het. Maar het is in veel opzichten een ‘gewone’ ernstige ziekte, die in de eerste plaats vermoeit – en met als voordeel bij het nadeel dat het niet je hersens of je libido aantast en met minder pijn gepaard gaat dan kanker of reuma. Iedere ALS-patiënt heeft zijn eigen ziektegeschiedenis, maar voor veel patiënten – en in elk geval voor mij – lijkt het of je met een rotgang bejaard wordt.

Een jaar geleden stond ik nog op de Champs-Élysées, uithijgend van de marathon van Parijs die ik zonder problemen (zij het bijna vijf kwartier boven mijn beste tijd) had uitgelopen. Twee maanden later, de diagnose was intussen gesteld, kon ik niet meer hardlopen zonder in ademnood te raken. Een half jaar geleden kon ik op vlak terrein nog makkelijk vijftien kilometer wandelen. Nu puf ik en steun ik bij een route van drieënhalf. Twee maanden geleden liep ik het strand op en kon ik meteen weer terug omdat de zeebries me letterlijk de adem benam. Op de twee dagen per week die ik tot voor kort forensde, moest ik ’s morgens en ’s middags letten op het weerbericht, om te weten vanaf welk metrostation ik met de wind in de rug bij mijn werk kon komen. Bij iedere stap moet ik mezelf dwingen om rechtop te lopen, krom is nu eenmaal minder vermoeiend.

En dat is alleen nog maar alles wat met lopen te maken heeft. Mijn eetlust is verminderd, ik eet een derde van wat ik vroeger op kon. Je ziet de dunne huid en benen van een mager oud mannetje, omdat bijna al mijn spierweefsel is verdwenen; ik heb zo weinig zitvlees dat ik moet zitten op een kussen van hard schuim. Als ik ’s morgens opsta ben ik al moe; ik vecht tegen de slaap en ben na vier uur toe aan een middagslaapje. Na het eten moet ik rusten op de bank, en ervoor meestal ook. Ik praat trager, áls ik mezelf al verstaanbaar kan maken; ik bind de strijd aan met kwalen die ik alleen van horen zeggen kende: obstipatie, halitose, ochtendhoofdpijn, verslikken bij het eten. Een groot gezelschap put me uit, net als praten, fietsen en traplopen. Het was een teken aan de wand dat de stemwijzer voor de gemeenteraadsverkiezingen me naar de Ouderenpartij verwees.

Vanaf een afstand bekeken is het fascinerend, die timelapse van je levenseinde. Het lijkt onbegrijpelijk dat er – buiten de sciencefiction – niet meer romans zijn waarin zo’n versneld verouderingsproces wordt beschreven, terwijl het omgekeerde superieur is uitgewerkt door Scott Fitzgerald (The Curious Case of Benjamin Button) en Martin Amis (Time’s Arrow). A.F.Th. van der Heijden publiceerde Het leven uit een dag, waarin de mens een eendagsvlieg is; maar zijn verhaal draait vooral om de frustratie dat alle ervaringen (met name de seksuele) in zo’n wereld uniek en onherhaalbaar zijn.

Als ik versnelde levens wil lezen, ben ik aangewezen op Victoriaanse romans, klassiek of modern. De veroudering daarin is niet zo spectaculair als in The Picture of Dorian Gray, maar als je een beetje doorleest, volg je de hoofdpersonages in een paar dagen van de wieg tot het graf.

Blogger

Pieter Steinz

Pieter Steinz (6 oktober 1963 - 29 augustus 2016) werkte van 1989 tot 2012 bij NRC Handelsblad, onder meer als literair redacteur en chef Boeken. Hij schreef ruim vijftien boeken, waaronder Lezen etcetera (2003) en Made in Europe (2014).