Catwalkshows met 36 ideeën in één ontwerp

Afstudeerpresentaties van modestudenten tonen uitbundige experimenten.

Van bontjas met plukken mensenhaar tot rokvormen van strandmatjes.

Lila gebreide hotpants, een jasje van papier, een jas van pluizig vossenbont gelardeerd met vlechten mensenhaar. Heerlijk, de jaarlijkse afstudeermodeshows vinden weer plaats. Dat betekent ruimte voor experiment met materiaal en vorm.

Deze weken ronden een kleine honderd modestudenten van zeven modeopleidingen hun studie af met de ultieme modepresentatie: een catwalkshow. De modeafdeling van ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem pakt al jaren groots uit. Bijna drieduizend modeliefhebbers bezochten eind vorige week één van de vijf shows in het plaatselijke stadhuis.

Van de zevenentwintig Arnhemse alumni beet Selina Parr het spits af met een innovatieve collectie waar, blijkt later backstage, geen naaimachine aan te pas is gekomen. Parrs leggingachtige broeken bestaan uit ingenieus gevouwen stofrepen. Patroondelen van fladderende bovenstukken zitten perfect aan elkaar geplakt met biezen. Torenhoge schoenen met houten blokhakken maakte de ontwerpster ook zelf. De stoffen voor haar rauwe collectie - „ik had zin om iets van nu te maken” - kocht Parr in Parijs, uit Istanbul haalde ze gestreepte ikat-stof.

Om haar afstudeercollectie te bekostigen spaarde Parr zo’n drieduizend euro bijeen. Dat afstuderen een kostbare zaak is, merkte ook Danny Cremers die imponeerde met sculpturale ontwerpen als hoekig uitstaande jasjes en minirokjes gemaakt van meters goudkleurige bandjes. Hij spendeerde alleen al aan glanzend galonband zo’n duizend euro.

Swantje Langeheine was voordeliger uit. Inspiratie haalde ze uit waardeloos materiaal en strakke huizengevels. Een strenge luxaflex toverde ze om in een sierlijke bolero die gedragen werd over een gedrapeerde lange jurk. Bamboe strandmatjes vouwde ze tot rokvormen. Het resultaat was intrigerend, maar moeilijk te vatten – iets dat niet ongewoon is bij studentencollecties. „Studenten stoppen graag zesendertig ideeën in een ontwerp”, weet het hoofd van de Arnhemse modeafdeling Matthijs Boelee: „Als docent moet je dat zien af te remmen.”

Uit de tsunami van vondsten die Maarten van der Horst in zijn kleurrijke collectie had gepropt bleek dat hij zich door niemand liet matigen. „Docenten noemden me bij de eindbeoordeling de hel, maar ook een held”, zegt Van der Horst. Hij mag zijn felgevlekte collectie – een kruising van de bewerkelijke ontwerpen van Neerlands seventies cultontwerpster Fong Leng en de anti-mode van het ongeleide modeprojectiel Bas Kosters – als een van de genomineerden voor de Frans Molenaarprijs over drie weken nog eens showen tijdens de Amsterdam International Fashion Week.

Coen Carstens is gek op bont. Van hem is de bontjas van vos gelardeerd met plukken mensenhaar. Carstens kocht de lokken als hair extensions op de Amsterdamse Albert Cuyp. „Mensen vinden het vies, maar stoppen ze wel tussen hun haar”, zegt Carstens, die er al aan gewend is geraakt om zijn alom verafschuwde materiaalkeus telkens te verdedigen. „Mijn bontliefde komt voort uit mijn fascinatie voor de natuur en daar hoort de dood ook bij.” Hij – eigenlijk zijn moeder – weefde van ontelbare smalle bontstrookjes een knielange rechte jas. Wie denkt dat in dit antibonttijdperk niemand zit te wachten op een bontfanaat als Carstens heeft het mis. De angst om in het beruchte zwarte gat te vallen, kent hij niet. Met twee hoopgevende kennismakingsgesprekken achter de rug, bij Jil Sander en het Italiaanse bonthuis Fendi, waar Karl Lagerfeld de scepter zwaait als artistiek directeur, heeft Cartens daar ook geen reden toe.

Selina Parr vindt het nog te vroeg voor een vaste baan. Het liefst zou de conceptueel ontwerpster, na twee stages in België en New York, nog een stage willen doen bij een topontwerper als Martin Margiela. Hoofd modeafdeling Matthijs Boelee kijkt niet vreemd op van Parrs plan. Het lopen van stages na school is volgens hem een ontwikkeling van de laatste jaren. „Het rare is dat mensen vaak denken dat afstudeerders meteen ondernemers worden.” Eerstejaars modestudenten denken dat ook nog volgens Boelee. „Ze lijden tegenwoordig aan het Idolssyndroom, en menen zodra ze op de academie beginnen de top te bereiken.”

De praktijk is anders. Een deel van de afgestudeerden gaat aan de slag bij een bedrijf of designer. De dwarse Maarten van der Horst (hij liep stage in Parijs bij het populaire Chloé) ziet zichzelf meer als researcher dan ontwerper en is voorlopig nog niet uitgestudeerd. Hij is lang niet de enige die voor een vervolgstudie opteert. Steeds vaker kiezen modestudenten ervoor om nog een Master opleiding te volgen. Soms blijven ze dicht bij huis en proberen een plek te veroveren aan het Fashion Institute Arnhem, maar Londen, Parijs, en zelfs New York zijn ook populair.

Bontwerker Coen Carstens popelt om aan de slag te gaan en bereidt zich voor op een carrière in Italië, ja, hij ziet zichzelf al zitten naast Kaiser Karl.