Tisto nee tosto, ik bedoel heb je zin in een tosti?

Fanny & Alma gaan elke week van die dingen doen die voor iedereen herkenbaar zijn of juist niet.

Vandaag: hoe herken je een burn-out?

Tisto nee tosto, ik bedoel heb je zin in een tosti? Illustratie Het Harde Potlood Het Harde Potlood

Een harde klap petst op de nek van Alma. In een ruk draait ze zich om. „Alm, je staart al vijftien minuten apathisch naar je computer”, zegt Fanny. Alma knippert met haar ogen, wrijft haar gezicht op en zegt:

„Ja, heb je zin in een tisto?”

„Wat?”

„Tosti?”

„Je zei tisto.”

„Oh, ik bedoelde tosti.”

Alma wrijft weer over haar gezicht, alsof ze zo de moeheid kan wegwassen. Eenmaal aangekomen in de keuken, staart ze om zich heen. „Waarom ben ik hier, in hemelsnaam?” mompelt ze in zichzelf. Zonder dat ze het merkte, heeft Fanny haar gevolgd en antwoordt: „Om totsi’s te maken?” Verward draait Alma zich om: „Tosti’s toch?” Fanny lacht. „Ja, tosti’s, dat klopt. Gaat het wel?”

Een burn-out is voor mensen van vijfenveertig. Voor mensen die ongelukkig zijn op hun werk. Die alles haten wat op de werkvloer gebeurt, maar er toch aan meedoen omdat ze uiterst perfectionistisch zijn en niemand willen teleurstellen. Voor mensen die hun huwelijk plichtmatig volhouden en een keer per maand met moeite seks verdragen. Toch is het dan wel raar dat in onze vriendenkring nu al drie mensen van onder de vijfentwintig de diagnose hebben gekregen: burn-out.

„Al vanaf mijn vijftiende kreeg ik duizenden kansen op me afgeworpen. Ik wilde alles doen. Natuurlijk wil ik een boek schrijven, natuurlijk wil ik een superslopende reis maken, natuurlijk wil ik feesten tot het uiterste. Ik wilde alles en gunde mezelf geen rustpauze”, vertelt een van onze vrienden. Hij mijmert verder: „Als je hebt gestudeerd, iets wat ik heb overgeslagen, leer je meer richting te geven aan wat je wel en niet wil. Ik heb de fase overgeslagen waarin je wel fouten mocht maken. Bij mij werd alles direct gepubliceerd. Fouten kunnen dan niet bestaan. Maar dit gold voor mij niet alleen op werkgebied. Ik keek films en zag hoe mensen van mijn leeftijd groots en meeslepend leefden. Dat wilde ik ook. In mijn weekeinden moest ik net zo wild zijn als in de film. Ik wilde elke week een trio. Ik mocht nooit van mezelf op de bank liggen om bij te komen van al het werk.” Fanny kijkt Alma aan, ze weet hoe Alma’s weekeinden eruit zien. „Een van de eerste dingen die ik aan mezelf merkte was dat mijn taalgebruik verloederde”, vervolgt hij. „Ik heb het maandenlang over de kopstok gehad als ik mijn jas op wilde hangen. Ook at ik steeds meer. Mijn lichaam had allang genoeg, maar ik moest ergens mijn energie vandaan halen.” Fanny zet een schaal bananen op tafel. „Op een gegeven moment leek het alsof ik een kater had die nooit meer wegging. Elke ochtend, ook al had ik niets gedronken, dook hij weer op. Daarna ging het snel. Als iemand me een opdracht gaf, ging ik nog liever urenlang achter elkaar kotsen, dan aan het werk te beginnen. Op een gegeven moment begon ik ook echt te kotsen als de hoofdredacteur binnenkwam met een big smile omdat hij zo’n uniek ideetje had.”

Alma hoeft nog niet direct te kotsen bij die gedachte, wellicht voelt ze af en toe wat gal omhoog komen als een redacteur haar aan een deadline herinnert, maar daar blijft het bij. Toch schijnt ook zij te moeten oppassen. Ze studeert pas een jaar. Daarvóór heeft ze non-stop gewerkt na haar middelbare school. Nu zit ze op de Rietveld, schrijft voor de krant, zet ze een toneelstuk in elkaar, gaat ze meewerken aan een kindertijdschrift en heeft ze zevenhonderd vrienden met allemaal problemen. Het is allemaal wat veel. De moed zakt langzaam als een modderstroom weg uit haar lijf door de onderkant van haar schoenen de grond in. Elke dag wordt het een beetje moeilijker en minder leuk om door te gaan. Op een dag kreeg ze het simpelweg niet meer voor elkaar om op te staan en weg te fietsen. Elke trapbeweging naar beneden werd zwaarder. In plaats van naar school gooide Alma haar stuur om naar de dichtstbijzijnde psycholoog. Die was naar Alma’s mening vooral heel erg stil. Ze moest zelf praten en dan luisterde de psycholoog. Saaier bestaat niet. Af en toe liet Alma een stilte vallen. Maar blijkbaar had de psycholoog geen enkel probleem met ongemakkelijke gaten van stilte, ze wachtte gewoon net zolang tot haar klant de woorden weer oppakte. Na drie kwartier wilde ze eindelijk ook wat toevoegen: „Je kunt het ook zo zien: in New York zeggen ze: we hebben geen tijd voor een burn-out.”

„Karin Bloemen heeft ook een burn-out gehad”, gilt Fanny door de kamer. „Die kon maanden niet uit haar bed komen.” „Ik kan nog steeds uit mijn bed komen”, knikt Alma. „Maar sinds ik moe ben, gebeuren er dingen die ik nog nooit eerder heb meegemaakt. Ik ben op trappen altijd doodsbang dat ik struikel, mijn kin naar voren schiet. Dat mijn voet naar achteren tegen een trede schiet waardoor de val nog wat extra kracht krijgt. Ik vlieg in volle vaart door het trappenhuis en beland met mijn gezicht tegen de voordeur. Als mopshond zal ik verder door het leven moeten.” Onze vriend verklaart: „Een beetje stress is goed voor een mens, dat zorgt voor lichte stroomschokjes zodat je scherp blijft. Veel stress veroorzaakt veel stroomschokjes. Alles vibreert. Uiteindelijk zal er kortsluiting ontstaan. Dat is een burn-out. Doordat er van alles is gebeurd in je hersens, gebeuren er ook andere dingen, zoals vreemde onrealistische angsten.”

Alma zakt weg in haar bed. „Ik doe niets meer vandaag.” Fanny krult naast haar in bed. De vriend loopt de deur uit en zegt met zijn hoofd om hoek van de deur: „Ik kon pas genieten van alles wat ik deed, als anderen zeiden hoe geweldig het wel niet was. Extern. Nu doe ik alleen nog maar wat ik zelf leuk vind.”

De deur valt dicht.

Fanny kijkt op haar horloge. „Ik heb overmorgen tantitame en ik moet me voorreiden.” Blijkbaar is Alma niet de enige. Ik heb er geen. Moet wel nog erg viel voor de Vietveld doen”, zegt Alma terwijl ze een hap in een banaan zet. Geel verdwijnt in rap tempo uit het zicht. „Fanny, wil je me een ding geloven?” Fanny knikt moederlijk. „Wil je me beloven dat als ik echt gek word, je me dat dan wel vermeldt?”

„Bovenbuurlijk!”