Olie geeft de Iraanse regering zelfvertrouwen

De Iraanse economie is er beroerd aan toe, onder andere door de internationale sancties. Maar met het oliegeld kan de regering binnen- en buitenlandse druk afweren.

De Iraanse economie staat onder druk door stijgende inflatie en de internationale sancties wegens het nucleaire programma. Maar president Mahmoud Ahmadinejad kan rekenen op een miljardenstroom aan oliegeld die zijn regering beschermt tegen binnenlandse en buitenlandse druk.

De Europese Unie, die samen met de Verenigde Staten, Rusland en China strafmaatregelen neemt om Iran te te dwingen (tijdelijk) te stoppen met het verrijken van uranium, is tevens de grootste afnemer van Irans olie en gas. De Iraanse privésector zucht onder de sancties die het bijna onmogelijk maken nog handel te drijven met het Westen: vorige week maakte de EU bijvoorbeeld bekend de tegoeden van Irans grootste bank, Melli, te bevriezen. Intussen gebruikt de Iraanse regering het oliegeld, 60 procent van het nationale inkomen, om controversiële beslissingen te financieren, zoals het omlaag brengen van de rente tot 10 procent. Dit terwijl de inflatie boven de 25 procent is.

„Het oliegeld heeft de regering veel zelfvertrouwen gegeven”, zegt Ahmad Zeidabadi, een politiek analist die columns schrijft voor diverse Iraanse bladen. Iran verdiende het afgelopen jaar 80 miljard dollar aan de olie-export, tegen 35 miljard dollar in 2005. Maar de toenemende olie-inkomsten hebben de kloof tussen arm en rijk vergroot. Sommige zakenmensen met overheidscontracten gedijen, maar de koopkracht van de massa neemt af door de inflatie. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling voor Ahmadinejad, die is gekozen op zijn zeer populistische agenda.

Sinds 2005, toen hij aan de macht kwam, is de jaarlijkse inflatie gestegen van 12,1 tot 19,2 procent, volgens cijfers van de Centrale bank. Vorige maand was de inflatie al gestegen tot 25,2 procent. Volgens vele economen ligt de werkelijke geldontwaarding eerder rond de 30 procent.

Critici, onder wie ex-ministers, managers van de centrale bank en economen, vinden dat Ahmadinejad en zijn regering een gebrek aan kennis hebben over de economie. Ze verwijten zijn ministers ongecontroleerd grote hoeveelheden geld in de maatschappij te hebben gepompt, zonder toezicht krediet te hebben verleend aan producenten en blindelings uit de pot met buitenlandse tegoeden te putten om hun tekorten aan te vullen.

Volgens Tahmasb Mazaheri, gouverneur van de centrale bank, is het duidelijk wat de regering moet doen, wil ze de inflatie terugbrengen. „Ze moet het begrotingstekort verminderen, minder geld uitgeven en het oliegeld niet gebruiken,” zegt hij.

Voor de meerderheid van de Iraniërs is de inflatie een zware last. Iedere keer als Asgar Eskandiary (32), een leraar, naar de supermarkt gaat, wacht hem een nieuwe vervelende verrassing. Melkpoeder, dat hij nodig heeft voor zijn enige kind, kostte een jaar geleden 2.750 toman (1,8 euro). Nu is het gestegen naar 4.000 toman, (2,7 euro). „Ik verdien 500.000 toman in de maand. Na aftrek van de huur hou ik niets over.”

Eskandiary wil een brief schrijven aan Opperste leider ayatollah Ali Khamenei. „Hij moet de experts terugbrengen, de regering snapt niets van de economie.”

Ahmadinejad kondigde vorige week grote veranderingen aan in de manier waarop in Iran banken, belastingen en import worden geleid. Hij noemde de managers „ineffectief” en gaf toe dat de inflatie „een groot probleem” is. Tevens zei hij aan dat subsidies voortaan direct aan de armen zouden worden gegeven. Maar hij gaf niet aan hoe hij dit wil gaan uitvoeren. Volgend jaar zijn er weer presidentsverkiezingen, en Ahmadinejad moet voor die tijd het volk aan zijn kant zien te krijgen.

De internationale sancties tegen Iran raken vooral de kleine privésector, al heeft de regering moeite om onderdelen voor olieraffinaderijen te krijgen. „We kunnen geen geld overmaken naar het buitenland”, zegt Bodagh Khanbodaghi, erevoorzitter van de Iraans-Duitse handelskamer over de sancties, die vooral de banksector raken. „Als een Iraniër een machineonderdeel in Duitsland wil kopen, kan hij dat bijna niet via een bank betalen”, legt Khanbodaghi uit. „Moet hij met een koffer met 5 miljoen euro naar Frankfurt vliegen? Als ze op de luchthaven iemand met zoveel geld vinden, arresteren ze hem meteen”, zegt hij.

„We richten ons nu op Azië. Daar kunnen we alles krijgen wat Iran nodig heeft, maar het duurt vaak langer en de kwaliteit is minder.” De regering heeft haar banden met China verstevigd en is ook actief in sommige Afrikaanse landen, evenals in Zuid-Amerika. Het is duurder en minder efficiënt, maar het oliegeld overwint de meeste obstakels.

„Wie veel geld heeft, kan veel problemen oplossen”, concludeert analist Zeidabadi. Hij denkt dat als de olieprijs lager was geweest, Ahmadinejad gedwongen zou zijn om een compromis met het Westen te sluiten, in plaats van openlijk de confrontatie op te zoeken.

Maar het verbinden van de toekomst van het land aan de olie-inkomsten kent ook gevaren, zegt Zeidabadi. „Als de prijs plotseling daalt zal de regering haar verplichtingen op veel fronten niet meer kunnen nakomen”, legt hij uit. „Het oliegeld is de reddingsboei van deze regering, maar ze kan er niet blindelings op vertrouwen.”