(Niet) roken

Nooit meer roken – wanneer zei ik dat tegen mezelf? Een jaar of vijftien geleden.

Sindsdien altijd spijt gehad dat ik niet eerder ben gestopt, want het was veel gemakkelijker om eraf te komen dan ik had verwacht. Al een jaar na mijn beslissing was het roken helemaal uit mijn gedachten verdwenen.

Zo zal het ook gaan met het rookverbod in cafés, restaurants, musea et cetera. Over een poosje zullen we niet meer beseffen dat het ooit anders is geweest. De opluchting bij de niet-rokers zal groot zijn, de rokers zullen merken dat een opgelegde rantsoenering ook voordelen heeft.

Achteraf is het niet goed voorstelbaar dat het roken zó lang salonfähig is geweest. Roken had bij mannen iets stoers, bij vrouwen eerder iets erotisch. De man die opstak was iemand die het leven durfde te leven, de vrouw die inhaleerde wilde ook graag liefde ontvangen. Zou er in de periode van de film noir met al die onverbiddelijke helden en femmes fatales – de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw – ooit een film zijn gemaakt waarin niet gerookt werd?

Roken was een geaccepteerd deel van het leven, ook bij de niet-rokers. Mijn vader en ik rookten, mijn moeder en mijn broer niet – toch is er al die jaren nooit gediscussieerd over de wenselijkheid van een rookverbod in huis.

Als (rokende) vader moet ik nog voorgelezen hebben uit Oe! Een koe! en andere verhalen uit de serie over Jip en Janneke van Annie M.G. Schmidt, een schrijfster die ik op foto’s vaak met een sigaret in de hand heb gezien. In het stukje Roken krijgen Jip en Janneke een mevrouw op visite die hun een pakje sigaretten geeft.

„Doe het doosje maar open”, zegt de mevrouw. „Dan mogen jullie ieder een sigaret roken.”

Jip vindt het heel gek. Hij is toch een klein jongetje? En kleine jongetjes mogen toch niet roken? Maar Janneke doet het doosje open. Ja hoor. Er zitten sigaretjes in.

„Steek er maar een op”, zegt de mevrouw. Jip steekt er een in zijn mond. En Janneke ook.

Vader, die later thuis komt, is helemaal gerustgesteld als blijkt dat het sigaretjes van chocola zijn.

Zouden de vaders van nu dit verhaaltje uit 1964 nog voorlezen zonder moraliserende uitleg? En zou de nieuwe Annie M.G. Schmidt nog wel zo’n verhaaltje willen schrijven?

Ik denk het niet. Ze zou misschien niet eens meer rokend gefotografeerd willen worden. Nu schiet me te binnen dat ik de kentering op dit gebied tien jaar geleden voor het eerst merkte, toen een collega met wie ik geïnterviewd werd vóór de fotosessie opeens zijn sigaret weglegde.

Een teken van kracht was een teken van zwakte geworden.

Laten we niet vergeten dat ook in dit opzicht sommige mensen hun tijd ver vooruit zijn geweest. In het interviewboek Wat zij bedoelen vragen de schrijvers J. Bernlef en K. Schippers aan het einde van het gesprek met hun collega Jan Hanlo of hij „nog iets wil opmerken”.

Hanlo spreekt dan als wens uit: „En mochten er – ik ben al tien jaar niet-roker; heb vroeger helaas veel te veel gerookt – rookloze cafés en restaurants komen, zodat de niet-roker niet twee sigaretten of pijpen of sigaren mee hoeft te happen (volledige inhalatie) van de tien die de ander rookt.”

Dat was in 1964! In de periode dus dat Annie M.G. Schmidt haar verhaaltje schreef.