Naar de drie w’s: wijf, werken en wonen

Rotterdam creëert nieuwe vakscholen.

Voor vmbo-leerlingen die gewend zijn dat thuis niemand werk heeft.

Een ambachtsschool in het Limburgse dorp Heibloem in 1934. Een doorlopend leerprogramma van vmbo naar mbo in Rotterdam moet de hoge uitval in het beroepsonderwijs verminderen. Foto uit het boek De verwondering van het maken De bouwopleiding van gilde tot opleidingsbedrijf door Harry Verhoeven.

Een grootscheepse herschikking van het beroepsonderwijs om de alarmerende schooluitval tegen te gaan. Dat kondigde de Rotterdamse wethouder Leonard Geluk (onderwijs, CDA) vorige week aan. De tweede stad van Nederland telt landelijk de meeste voortijdig schoolverlaters: één op de vijf leerlingen maakt zijn opleiding niet af.

Met de oprichting van zogeheten wijk-, vak- en topscholen gaat Rotterdam „het beste van twee werelden combineren”, aldus Geluk. Het vmbo en het mbo worden in elkaar geschoven: mbo-leraren komen lesgeven op het kleinere, veilige vmbo. Vanaf september kunnen leerlingen één doorlopend leerprogramma volgen van vmbo tot en met mbo-niveau.

Geluk hoopt deze week 10 miljoen euro los te weken bij het kabinet. Hij streeft op korte termijn naar de oprichting van twaalf tot achttien wijk-, vak- en topscholen. Die laatste zijn voor bovengemiddelde leerlingen, die in de huidige opzet onvoldoende worden bediend. Oud-minister Pieter Winsemius van het Sociaal Platform Rotterdam, tevens lid van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid, is een van de initiatiefnemers.

Is deze ‘maatwerkaanpak’ hét wondermiddel voor het beroepsonderwijs?

Winsemius: „Dit is geen wonderolie, maar wel een belangrijke sprong. In één stad stappen drie onderwijsinstellingen over hun eigen schaduw heen. Dat is winst, net zo goed als de samenwerking tussen het mbo en het vmbo. Van belang is dat er nu eindelijk wordt gedacht vanuit de behoefte van de kwetsbare leerling. Wat heeft hij of zij nodig om de aansluiting te vinden en te behouden? Twee elkaar beconcurrerende roc’s zijn niet bevorderlijk voor probleemjongeren. Dat leidt slechts tot een gigantische uitval, vooral in het eerste jaar mbo. Simpelweg omdat de overstap van het ‘beschermende’ vmbo naar die massale roc’s te groot is. Daarom draaien we het nu om: geen overstap, maar de school komt naar jou toe. Mbo-docenten geven les op een vmbo-school, waar je uiteindelijk ook je mbo-diploma haalt.”

Terug dus naar de aloude ambachtschool?

„Niet helemaal. Ook zorginstellingen als Schuldhulpverlening, Jeugdzorg en GGD krijgen een plaats in de nieuwe opzet. Veel vmbo- en mbo-leerlingen zijn drugsverslaafd, hebben schulden, of zijn dakloos. Deze overbelaste groep mist structuur, en heeft bovendien het gevoel niet serieus genomen te worden. Ze komen uit een omgeving waar nog nooit iemand gewerkt heeft, waar vader – als die er al is – om acht uur nog ligt te slapen en de broodtrommel leeg is. Andere grote steden kennen deze achterstandsgroepen ook, maar in Rotterdam snijdt het allemaal net even wat dieper. Zeker de allermoeilijkste groep moet je opleiden in hun directe omgeving, want dat is hun laatste anker. Ze hebben een loopplank nodig: acht uur is acht uur, geen gespijbel en geen lesuitval, omdat leraren afwezig zijn. En verder geldt: gij hoort erbij, maar gij zult wel werken.”

Rotterdam zegt met dit initiatief in feite dat steden zelf het heft in handen moeten nemen, omdat de regie vanuit Den Haag ontbreekt.

„Het ministerie van Onderwijs telt twee verschillende directies: één voor het mbo, één voor het vmbo. Elke afdeling kent een eigen regime, een eigen bekostiging. Beide zijn vreselijk druk geweest met fuseren, waardoor het zicht op de werkvloer gedeeltelijk verloren is gegaan. Een te grote groep is daarvan het slachtoffer. Rotterdam kan zich dat niet langer permitteren, want het is nu al feest in sommige wijken. De gemeente heeft formeel niets te zeggen over beroepsonderwijs, maar doet dat toch. ”

Hoe zelfstandig zijn deze jongeren op hun 20ste als ze jarenlang zo op de huid gezeten worden?

„Pamperen is niet aan de orde, het is houvast bieden in een chaotische wereld. Dit zijn geen leerlingen die je moet opzadelen met een canon, dit zijn doe-leerlingen. Als je erin slaagt deze groep tussen hun twaalfde en achttiende in het spoor te houden, is de kans groot dat ze rond hun 25ste hebben gekozen voor de drie w’s: wijf, werken en wonen.”