Een verboden genot

Roken thuis mag, ook na morgen, als de horeca rookvrij moet zijn. Maar de vanzelfsprekendheid daarvan begint te wankelen. De particuliere ruimte is het laatste bolwerk waar de burger zich mag overgeven aan particuliere zondes. Met instemming van zijn huisgenoten uiteraard.

Het puriteinse Amerika (‘land of the free’) gaat al verder. Daar zijn rookvrije steden in opkomst. Een wapen mag je er dragen, want dat zou in de Grondwet staan. De sigaret wordt er als een groter gevaar gezien.

Er groeit een nieuwe consensus die van roken een ongeveer even intieme bezigheid maakt als van seks in de negentiende eeuw. Een ‘forbidden pleasure’. De roker is een lijder, een onaanraakbare die nu nog in het portiek mag opsteken. Of op het perron bij een doorgaans schoorsteenvormige ‘rookpaal’ mag staan. Maar hoelang zal dat nog mogen?

Dat roken op kantoor is verboden, is logisch omdat de collega’s daar niet louter voor hun plezier komen. Maar met het horecaverbod voor rokers overschrijdt Nederland een grens. In deze semipublieke, half-particuliere ruimte geldt vanaf volgende morgen een totaalverbod met een zware handhavingsplicht en aansprakelijkheid voor de uitbater.

Deze strengheid is een betere zaak waard. Tot hoever moeten omstanders van, of dienstverleners aan rokers eigenlijk worden beschermd? Waarom dienen rokers verplicht geïsoleerd te eten of drinken, achter glas of onder een eigen afzuigkap?

De leuze ‘samen komen we er wel uit’ is een illusie gebleken. Vooral in cafés gaat nicotine nu eenmaal hand in hand met alcohol. De gebruikers doen iets ongezonds, maar het is hún keuze.

Waarom mocht hier de vrije markt z’n werk niet doen? Rokers- en niet-rokerszaken zouden dan elk hun eigen klanten hebben gevonden. Ook het personeel kan in dienst gaan bij de gelegenheid van zijn voorkeur. De ober die rookt, kan naar een rookcafé. En omgekeerd.

Waar is de ‘terugtredende’ overheid gebleven, die zich zorgen zegt te maken over ‘regeldruk’ maar straks wel een rookpolitie en nicotineofficier nodig zal hebben?

Het op zichzelf vanzelfsprekende recht op een ‘rookvrije werkplek’ heeft tot gevolg dat verkopers van legale rookwaren, al dan niet met gedoogde softdrugs vermengd, deze niet meer in hun eigen winkel mogen laten proeven, demonstreren of laten gebruiken. Voor de goede orde, door meerderjarige, veelal volkomen handelingsbekwame en beschikkingsbevoegde burgers die er niemand anders een genoegen of een kwaad mee doen dan zichzelf.

De roker is daarmee in een slechtere positie verzeild geraakt dan de heroïnejunk die soms in een officieel gedoogde ‘gebruikersruimte’ zijn slechtere gewoonte wel mag uitleven. Is roken pathologie, een ziekte? Niet-roken is in ieder geval in hoog tempo een geloofsartikel geworden. Maar roken is een officieel erkende vorm van deviant gedrag geworden, die intussen zo breed wordt afgekeurd dat niet-rokers niet nog meer overheidsbescherming nodig hebben.