Coureur heeft eindelijk lef in veld van cowboys

Motorcoureur Hugo van den Berg (18) won in Assen zijn eerste WK-punt. „Dit is waar ik al die jaren hard voor heb gewerkt.”

Eén punt, wat is nu één punt? Getalsmatig vrijwel niets. Maar voor wegracer Hugo van den Berg was het ene WK-punt dat hij zaterdag bij de TT Assen behaalde van grote sportieve waarde. De enige Nederlandse coureur die grands prix (125 cc) rijdt, schoot zelfs vol toen hij na de finish werd bedolven onder de complimenten van familie, fans en vooral zijn begeleiders van Molenaar Racingteam. Mooie gemeende vreugde, maar wat is Van den Bergs toekomstperspectief?

Zelf denkt de jonge wegracer een mentale barrière te hebben genomen. Sinds zijn debuutjaar 2005 hikt hij aan tegen een plaats bij de eerste vijftien die WK-punten toebedeeld krijgen – en dat in een klasse waar de concurrentie moordend is en de krachtsverschillen gering zijn. „Eindelijk een race waarin alles klopte”, verzuchtte Van den Berg. „Er waren al mensen die het vertrouwen in mij hadden verloren. En dan lukt het me uitgerekend in Assen om vijftiende te worden. Super.”

Van den Bergs winst zat in zijn hoofd. Eindelijk overwon hij zijn bedeesdheid en toonde hij het vereiste lef in het veld van cowboys. Eindelijk durfde hij de risico’s te nemen die bij een passeeractie horen; omdat hij het vertikte zijn zestiende plaats te consolideren. Hij zou en moest vijftiende worden om zijn eerste WK-punt binnen te halen. Van den Berg was maar wat trots op zijn actie waarmee hij de Zwitser Dominique Aegerter er in de Geert Timmerbocht risicovol uitremde. „Ik dacht: ik doe het gewoon. Vanaf dat moment tot de finish bonkte m’n hart in m’n keel. En kwamen de tranen. Dit is waar ik al die jaren hard voor heb gewerkt, dit is wat ik wilde.”

De opluchting in zijn begeleidingsteam was nog groter. Teambaas Arie Molenaar, teammanager Jarno Janssen, hoofdmonteur Hans Spaan, zijn vader en sportpsycholoog Hardy Menkehorst hadden Van den Berg al vaak gezegd dat hij brutaler moest worden. „Hij was veel fanatieker dan voorheen”, zei oud-TT-winnaar Spaan. „En dat is bittere noodzaak, omdat concurrenten op dezelfde motor steeds anderhalf tot twee seconden harder reden. Hopelijk heeft hij van deze race geleerd en kan hij vaker in de punten rijden.”

Want daar draait het om. Coureurs zonder punten worden door de Spaanse grand prix-organisator Dorna terzijde geschoven. Er is geen mededogen voor wegracers die hun kansen niet pakken. Van den Berg heeft die ervaring, omdat Dorna hem voor dit jaar, wegens ondermaatse prestaties, aanvankelijk een wedstrijdlicentie weigerde. Pas na bemiddeling van TT-voorzitter Jos Vaessen – „een GP in Assen zonder Nederlander is ondenkbaar” – bleef hij startgerechtigd. Het is Van den Bergs laatste kans; een nieuwe farce betekent zijn einde als grand prix-coureur.

Hoe vertederend het tafereel rond Van den Berg zaterdag ook was, de opwinding om één WK-punt is exemplarisch voor de crisis waarin de motorsport in Nederland verkeert. De tijden van TT-winnaars als Wil Hartog, Jack Middelburg en Hans Spaan uit de jaren zeventig en tachtig zijn voorbij. Waar destijds privérijders zich met de fabrieksteams konden meten, regeert nu het grote geld. Het team Molenaar redt zich in de 125 cc met een budget van zo’n twee miljoen euro, een schijntje in vergelijking met de ruim vijftien miljoen die bij teams in de MotoGP op tafel komt.

Van den Berg symboliseert het probleem van Nederlandse racers, die door het ontbreken van circuits en nationale wedstrijden nauwelijks opleidingskansen hebben. Het kostte Van den Berg, die zich in de Spaanse competitie heeft geschoold, enkele tonnen om zich in te kopen bij het team Molenaar. Zie maar eens met tweede- of derderangs materiaal de prestaties te leveren die deuren bij fabrieksteams gratis openen. Dat is een vrijwel ondoenlijke opgave. Nederlandse coureurs zitten gevangen in die vicieuze cirkel.

Er is Van den Berg veel aan geleden een stap voorwaarts te maken. Het liefst rijdt hij volgend jaar in de 250 cc, waar hij met zijn lengte (1,86 meter) en gewicht (67 kilogram) thuishoort. Nu moet hij zich op een (te) kleine motor persen en verliest hij na een scherpe bocht snelheid ten opzichte van zijn overwegend lichtere concurrenten. Maar een overstap betekent ook een verdrievoudiging van de kosten. Mocht Van den Berg zijn licentie behouden – wat niet zeker is met één punt – en zijn contract bij Molenaar Racingteam kunnen verlengen, blijft de vraag waar het geld vandaan moet komen.