College R’dam krijgt huiswerk

Het Rotterdamse college nodigde zaterdag burgers uit om kritiek te leveren op het beleid. Hoogleraar Tops hekelde het gebrek aan durf en daadkracht. „Ieder zingt zijn eigen liedje.”

Wie verzuimt zijn eigen weerstand te creëren, bereikt nooit zijn doel. Afzwaaiend burgemeester Ivo Opstelten (VVD) van Rotterdam kan die woorden niet vaak genoeg herhalen. „Applaus is leuk, maar van alleen maar applaus wordt een bestuurder niet beter”, constateerde hij zaterdag in de Laurenskerk.

Zes jaar na de Fortuynrevolte waart de geest van de vermoorde politicus nog altijd door Rotterdam. Het huidige college (PvdA, CDA, VVD en GroenLinks) hield zichzelf zaterdag tegen het licht, halverwege de eigen ‘regeerperiode’ onder de noemer Rotterdam Spreekt! In de Laurenskerk mochten ruim tweehonderd burgers vrijelijk schieten op het stadsbestuur. Na de lunch gingen Opstelten en zijn wethouders persoonlijk in discussie met hun gasten in zogeheten huiskamergesprekken.

Het venijn kwam van een professional. Op verzoek van Opstelten nam hoogleraar bestuurskunde Pieter Tops het Rotterdamse college onder de loep.

Zijn conclusie: het ontbreekt Rotterdam aan elan en scherpte, de dertien deelgemeenten staan oplossingen in de weg, de maatschappelijke elite houdt zich opvallend afzijdig. Bovendien heeft het stadsbestuur (acht wethouders) geen gezicht. „Ieder zingt zijn eigen liedje”, aldus Tops, die in de pauze werd overladen met complimenten.

In zijn bijdrage weerklonk vooral weemoed naar het vorige college onder aanvoering van Fortuyns partij Leefbaar Rotterdam. Toen durfde de multiculturele stad (584.000 inwoners, 47 procent migranten) te kiezen en zich vast te bijten in het thema veiligheid, zoals Tops vaststelde in zijn boek Regimeverandering in Rotterdam (2007). Problemen werden benoemd en aangepakt, het ambtelijke denken en handelen doorbroken.

Toeval of niet, een dag vóór de ‘stadsconferentie’ verstuurde het college een ronkend persbericht. Uit een ‘belevingsonderzoek’ onder vijfhonderd Rotterdammers kwam naar voren dat ruim de helft van de ondervraagden van mening is dat de stad vorig jaar veiliger, schoner en aantrekkelijker is geworden. Opstelten en de zijnen kregen gemiddeld een 6,7.

Zo gul bleek Tops zaterdag niet. Al erkende hij dat de sociale opgave die Rotterdam zichzelf heeft opgelegd – het aloude socialistische ideaal van de verheffing – een lastiger opdracht is dan het „eenduidige” thema veiligheid. Toch stranden veel goede bedoelingen in wat Tops „de projectencarrousel” noemt. Alleen al in de wijk Pendrecht is sprake van 72 projecten voor ongeveer driehonderd allochtone vrouwen, rekende hij voor. Dat leidt tot „eindeloos afstemmingsoverleg en strijd” en „verstikking van allerlei maatschappelijke initiatieven”. Vraag is dan ook, aldus Tops, hoe Rotterdam „zijn Monster van Frankenstein” gaat verslaan.

Een terechte vraag, constateerde Piet Boekhoud. In navolging van Tops meent ook de voorzitter van het Albeda Collega, een regionaal opleidingscentrum voor middelbaar beroepsonderwijs (25.000 leerlingen), dat in zijn stad niet de verbeelding, maar de routine weer aan de macht is. „Dit college heeft te weinig cohesie.”

Wethouder Jantine Kriens (Zorg en Welzijn, PvdA) bestreed die lezing. „We zijn juist een goed op elkaar ingespeeld team.”

De stapel huiswerk die Tops het college meegaf, deed Kriens af als „een aansporing nu echt gas te gaan geven”. Harde ingrepen sluit de locoburgemeester niet uit. „De deelgemeenten beginnen hun legitimiteit inderdaad te verliezen.”

Bijdrage Tops is na te lezenop nrc.nl/binnenland