Zogeheten hanggeld voor kunstenaars is een slecht idee

Tekening Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

Minister Plasterk pleit voor een richtlijn voor de betaling door kunstinstellingen aan beeldend kunstenaars, het zogeheten hanggeld (NRC Handelsblad, 23 juni). Voor de duidelijkheid: hanggeld wordt betaald voor het ophangen van bestaand werk, dat na de tentoonstelling weer naar de eigenaar teruggaat. Betaling voor de realisatie van een tijdelijke installatie daarentegen is al heel gebruikelijk en staat hier dus niet ter discussie. De invoering van een verplichting tot betaling van dit hanggeld past echter niet binnen het beleid van minister Plasterk, dat toch vooral op de bevordering van kwaliteit gericht lijkt te zijn. Praktijkervaring in Canada, waar een dergelijke regeling al bestaat, wijst uit dat deze vooral tot bevordering van de middelmaat leidt: succesvolle kunstenaars moeten er niets van hebben. In verhouding tot hun andere inkomsten is hanggeld een druppel op een gloeiende plaat en bovendien kan het slecht zijn voor hun reputatie.

In Nederland zou men beter moeten weten. Het lijkt erop alsof de lessen van de in 1987 opgeheven Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) alweer vergeten zijn. Tentoonstellingen van nog onbekende maar veelbelovende kunstenaars zijn waarschijnlijk de eerste die door een verplichting tot betaling van hanggeld zullen sneuvelen.