Verslaafd aan verlies

Toen ik begin 2001 aan een column op deze plek begon, besloot ik - achteloos, zodat het niet te veel zou opvallen - er een thema in aan te brengen: Nederland. Uitgangspunt: wat zegt, in tijden van globalisering en immigratie, het idee van Nederland ons nog? Hoe vind je, wanneer de traditionele binding met je omgeving wegvalt, een nieuw gevoel van eigenheid?

Dat mensen zo’n gevoel nodig hebben, leek me evident, maar in de Nederlandse politiek en in het debat speelde het toen geen rol. Identiteit was een woord dat in die tijd weinig emoties meer opriep. Minderheidsgroepen die in de jaren daarvoor heftig aan hun ‘identiteit’ gewerkt hadden, leken hun plaats in de samenleving gevonden te hebben. Over nationale identiteit was helemaal geen discussie; je kon hoogstens gezellig speculeren over wat een Nederlands ontwerp - een kast, een stoel - nou zo typisch Nederlands maakte. Ook discussies over nationale identiteit waren tot gezelschapsspel geworden; het eindigde er altijd mee dat een kritische Vlaming ons mocht inwrijven dat Nederlanders heus trotser op zichzelf waren dan ze zelf wilden toegeven - en dat was dan dat.
Andere tijden.

Een tweede thema dat ik me had voorgenomen, was in die tijd nauwelijks populairder: moraal. Zoals je zonder veel moeite kon voorspellen dat een idee van eigenheid belangrijk zou worden in een samenleving die almaar meer verwaterde en versnipperde, zo was het ook niet moeilijk te begrijpen dat mensen die in de totale vrijheid leefden, hun eigen grenzen zouden willen trekken. In de voorafgaande decennia, die in het teken van bevrijding en emancipatie stonden, was het voldoende je af te zetten tegen het bemoeizuchtige moralisme van anderen. De vrijheid van het individu moest bevochten worden op de verstikkende groepsmoraal van kerk en de burgerij, zo simpel was dat; maar nu die vrijheid ruimschoots verkregen en bestendigd was, deed het er niet langer toe wat anderen vonden - het ging erom wat jijzelf vond. Simpel gezegd, strijden voor het recht op abortus is heel wat eenvoudiger dan zelf beslissen of je abortus laat plegen. En wanneer je eenmaal tot je eigen morele overtuigingen bent gekomen, hoe moet je dan vervolgens omgaan met mensen die jouw overtuigingen niet delen - of zelfs verafschuwen?

Beide thema’s waren, politiek gezien, rechtse thema’s. Links ontleende een deel van zijn bestaansrecht aan zijn afkeer van alles wat met eng nationalisme en verstikkende christelijke moraal te maken had. Vanaf de jaren zestig werd de linkse politiek voornamelijk bepaald door de agenda’s van de grote emancipatiebewegingen, die de vrijheid van het individu als zaligmakend voorstelden. Traditioneel links stond dan ook met zijn mond vol tanden toen  na de val van de muur plotseling emoties de kop opstaken waarvan men gedacht had dat ze morsdood waren - groepsdenken, nationalisme, de roep om strenge straffen, de zucht naar een overzichtelijke orde. Niet van  deze tijd, was de overheersende reactie, een jammerlijke terugval in oude, atavistische reflexen. In plaats van zich te verdiepen in de oorzaken van die reactie en de verlangens die eraan ten grondslag lagen, zag je vooral smetvrees. Die smetvrees ging schuil achter een vertoon van morele superioriteit: vragen van identiteit en moraal waren eenvoudig te smerig om aan te raken. Nog steeds stuit je hier en daar op die zelfgenoegzame reflex, waarbij ieder verlangen naar eigenheid gelijkstaat aan uitsluiting van anderen, iedere oprechte vraag over moraal wordt weggeveegd door de ander van moralisme te beschuldigen.

Intussen heeft rechts zijn kans gehad: beide thema’s, identiteit en moraal, zijn in de afgelopen jaren uitgegroeid tot populistische obsessies. Wat een puinhoop is het geworden! De behoefte aan Hollandse eigenheid stak aanvankelijk voorzichtig de kop op in de vorm van de talloze Leefbarenpartijen. De tragedie van Fortuyn en zijn LPF herhaalt zich op dit moment als een farce door Verdonk en haar Trots op Nederland. Het enige idee van gemeenschap dat aan rechterzijde is ontwikkeld, moet het hebben van een diepgewortelde afkeer van de islam. Een nostalgisch verlangen naar een verzonnen verleden, een paranoïde angst voor anderen die ons hun wil zullen opleggen - veel verder is het sinds 11 september 2001 niet gekomen. Stromingen binnen de islam weerspiegelen die geestelijke armoede: een simplistisch verlangen een nieuwe zuiverheid, angst voor de grote boze wereld, enzovoort.

De kwestie van een gemeenschappelijke moraal werd aan rechterzijde consequent gereduceerd tot een klakkeloos gehamer op de eigen verantwoordelijkheid, wat in werkelijkheid vooral een excuus werd voor hardvochtigheid. In de christelijke politiek wordt moraal vooral weer als een middel tot bevoogding gezien, waardoor men de pleitbezorgers van de absolute vrijheid opnieuw een excuus geeft om nergens serieus over na te denken.

Het aanvankelijk veelbelovende rechtse opinieblad Opinio had al snel de voorspelbaarheid van een gebedsmolen; het laatste thema dat het blad agendeerde, was de ontegenzeggelijke superioriteit van het christendom ten opzichte van de islam - daar schijnt een groot taboe op te rusten, echt.

Samenvattend kun je zeggen dat de heropleving van begrippen als identiteit en moraal in Nederland vooral woede en verdriet opgeleverd hebben - en geen nieuw verhaal, geen nieuw vergezicht. Iedere poging om die woede te kalmeren en het verdriet te sussen heeft alleen nog maar meer woede en verdriet opgeroepen.
Het begint een beetje verdacht te worden.

Deze krant had eergisteren een bericht op de voorpagina, waarin een wetenschappelijke ontdekking werd verkondigd: mensen kunnen verslaafd raken aan hun eigen verdriet. Wie niet met het verlies van een dierbare leert leven, gaat daar onherroepelijk in zwelgen; bij hen wordt, wanneer men aan het verlies denkt „het beloningscentrum in de hersenen geactiveerd”. Dat lijkt me de Hollandse ziekte, een eindeloos zwelgen in het gevoel van verlies. Wat eerst vermoeden was, groeit uit tot zekerheid. De patiënt wil niet beter worden. Zijn verdriet is zijn houvast.