Verademing

Nog een paar dagen en dan is het zover: Bevrijdingsdag. Eindelijk zal ik verlost zijn van de rook in horecagelegenheden.

Had ik daar dan zo’n last van? Ja, daar had ik véél last van – de laatste jaren nog meer dan daarvoor, waarschijnlijk doordat de maatschappelijke acceptatie van roken zo is veranderd.

Laatst zat ik met een jong kind in een vliegtuig. „Waarom zitten er asbakken in deze stoelen als je niet in een vliegtuig mag roken?”

Opa vertelt: tja, vroeger werd er inderdaad in vliegtuigen gerookt. In de stoelen, in de gangen, bij de deuren – sommigen rookten de hele vlucht lang.

Gek toch, hoe snel dat allemaal veranderd is. Je kunt je nu bijna niet meer voorstellen dat mensen liepen te roken in supermarkten, dat de treinen en bussen blauw stonden van de rook, dat er asbakjes zaten in de stoelen in de bioscoop.

Voor de goede orde: ooit, lang geleden, heb ik gerookt. Toen ik dertien was, vond ik het stoer om pijp te roken. Ik bewonder het nog altijd dat mijn ouders dit hebben gedoogd.

Ik geloof dat ik drie keer een pijp heb opgestoken. Toen ben ik er zó ziek van geworden dat ik acuut ben gestopt. In de jaren daarna heb ik wat geëxperimenteerd met Belinda menthol, met shag en met hasj (wel geïnhaleerd). Twee keer heb ik een sigaar opgestoken (de eerste keer aan de verkeerde kant), maar al snel kwam ik tot de conclusie dat roken niks voor mij is.

In mijn omgeving lag en ligt het anders. Ik ben getrouwd met een rookster. Een vrouw met veel rokende vrienden en vriendinnen.

Avonden heb ik als enige niet-roker aan tafel doorgebracht met vrienden die de ene sigaret na de andere opstaken. Makkelijk tien de man op een avond. Als ik dan na een paar uur vroeg „kan hier een raampje open?”, werd er gelachen. Dan was je een aansteller.

Als ik eerlijk ben, zit dat me nog altijd een beetje dwars: die lacherige, laatdunkende bejegening van niet-rokers die zolang in de mode is geweest. De rokers behoorden, als we de reclame mochten geloven, tot de stoere Marlboro-mensen; wie klaagde over prikkende ogen, een zere strot of de smerige stank, was een aansteller, een mietje.

Lang heb ik mijn mond gehouden. Van nature ben ik niet zo bedeesd, maar je wilt anderen gastvrij ontvangen en daar hoorde nu eenmaal bij dat er volop in je huis gerookt mocht worden.

Zo heb ik zelfs laten passeren dat een stel dat bij ons op kraambezoek was, aan één stuk door heeft zitten roken, in de nabijheid van een versgeboren baby – achteraf gezien onbegrijpelijk.

In huis roken is er bij ons allang niet meer bij, gasten bieden zelf al aan om in de tuin te gaan roken. Alleen bij grote etentjes, ik bedoel met meer mensen, wordt er af en toe nog gedampt – waar je nog dagen van kunt nagenieten.

In de kroeg kom ik al járen niet meer. De gezelligheid weegt voor mij niet op tegen de stank van de rook. In restaurants waar geen aparte rookhoek is, moet ik soms eerder weg dan ik zou willen, omdat ik rook inmiddels steeds slechter kan verdragen. Tranende ogen, benauwd, keelpijn. Ik vind het nog altijd aanstellerig klinken, maar het is niet anders, dus ik handel ernaar.

Nog even, want het is bijna voorbij. Heerlijk, rookvrij. Eindelijk geen last meer van de opdringerigste verslaving van anderen.

Een verademing – letterlijk.

Ewoud Sanders

    • Ewoud Sanders