Twaalf dagen glorie

Oranje speelt niet in de EK-finale, morgen. Maar voor de nederlaag ging zelfs Cruijff Nederland geweldig vinden en veranderde Van Basten van een warhoofd in een ziener.

Rafael van der Vaart na het verlies van het Nederlands elftal tegen Rusland in de kwartfinale van de Europese Kampioenschappen voetbal, 21 juni 2008 Foto AFP Dutch midfielder Rafael van der Vaart reacts on the pitch after the Euro 2008 Championships quarter-final football match the Netherlands vs. Russia on June 21, 2008 at St. Jakob-Park in Basel. Russia won 3-1 and qualified for the semi-finals. AFP PHOTO / PATRICK HERTZOG -- MOBILE SERVICES OUT -- AFP

Zelden had een verloren wedstrijd van het Nederlands elftal een zo ontgoochelende uitwerking als op 21 juni 2008. De verklaring daarvoor moet wel zijn dat de begoocheling tijdens de dagen die eraan vooraf gingen zelden zo groot was. Al snel na de onverwachte overwinningen op Italië (3-0) en Frankrijk (4-1) deden de feiten er nauwelijks nog toe. Niemand zat te wachten op analisten met relativerende teksten, de idee van Nederlandse onoverwinnelijkheid was te verleidelijk. Een totaalscore van 7-1 tegen de nummer één en twee van de wereld: wat viel daar tegenin te brengen?

Eigenlijk vrij veel, maar daar zou niemand zich populair mee hebben gemaakt. Geloof in Oranje was vooraf al een middel geweest ter verhoging van de populariteit in polls en winkels, en na de ‘7-1’ was dat effect uiteraard alleen nog maar sterker. De glorieuze start van het Nederlands elftal op het Europese kampioenschap voor landenteams schuurde als een reusachtige zwavelkop langs de zijkant van een luciferdoosje, zette het land in vlam. Van politici tot uiteenlopende weekbladen als Voetbal International (‘wereldklasse’) en Elsevier (vergeleek dit Oranje met het Brazilië van Pelé, een van de beste teams uit de wereldgeschiedenis): het geloof – de begoocheling – werd breed gedragen.

Vrijwel nergens hoorde je de tegenwerping dat de Italianen zich wel erg slapjes hadden verweerd; dat de Fransen veel pech hadden gekend. De spelers en de bondscoach mochten dan toegeven dat het in die twee, vrijwel onmiddellijk legendarische wedstrijden aan alle kanten had meegezeten, in de media kregen dat soort geluiden opvallend weinig weerklank.

Met een haast populistische inzet ging een goedbekeken tv-programma als Studio Sportzomer maar door met de hoogtepunten te herhalen. Nog voor de derde wedstrijd, tegen Roemenië, was de mythe van Oranje een feit. De hoogtepunten werden het spel zelf.

Tegen Roemenië werd de score nog verder opgevoerd naar 9-1 en kon de mythe niet meer stuk. Zelfs het ‘B-team’ – Van Basten hield veel topspelers aan de kant omdat deze wedstrijd er niet meer toe deed – was superieur! In enkele dagen tijd was het complete Nederlandse volk overtuigd geraakt van een nieuw Europees kampioenschap, net als in 1988. Dat zoiets onder andere veel geluk vergt (net zoals twintig jaar geleden het geval was) deed niet ter zake.

De roes was overweldigend. Nederland werd internationaal eindelijk weer geprezen. We waren weer thuis – voor even, dan. Om precies te zijn tussen de onverwachte winst op Italië (9 juni) en de al even onverwachte nederlaag tegen Rusland op 21 juni. Twaalf dagen lang was het verlangen naar nationale eendracht bijna voelbaar. Twaalf dagen van wierook en zelfverheerlijking. Vrouwen en etnische minderheden deden vaker dan voorheen mee aan het Oranjefeest. Als dit geen verbroedering was, dan was niets het. Iedereen als één man achter Oranje, achter de vrolijke jonge helden met hun kindertjes op de arm voor de oranje gekleurde tribunes. We steunden dit keer geen over het paard getilde schuinsmarcheerders, maar toegewijde gezinshoofden met het hart op de juiste plaats. Toen verdediger Khalid Boulahrouz rouwde om het verlies van zijn te vroeg geboren kindje, rouwde iedereen met hem mee. Nederland maakte zich op voor glorie in de stijl van Balkenende. Glorie in solidariteit, zoiets.

Zelfs Johan Cruijff kon niet achterblijven. Het orakel uit Barcelona dreigde al op de eerste avond waarop het Nederlands elftal had gespeeld te bezwijken. Waarna zijn analyses tijdens de rest van het toernooi in het teken stonden van zijn pogingen weer in het gevlei te komen. Van zijn legendarische eigenwijsheid was plotseling niets over. Dat krijg je ervan als je vooraf kritiek levert op de tactiek en je op de avond waarop desondanks met 3-0 is gewonnen van de wereldkampioen rood aanloopt. De camera’s van de NOS, tot dan altijd zijn grootste vrienden, brachten hem onaangekondigd in beeld. Daar zat hij: de man die niet vrolijk keek toen iedere andere Nederlander dat wel deed. Cruijff, zocht voor het eerst in zijn leven naar woorden. Het was een genadeloze registratie van zijn onvermogen of onwil om zijn fout toe te geven.

Niet lang daarna liet hij zich interviewen in een oranje shirt, als om aan te geven dat hij wel degelijk voor Nederland is. Als een staatsman in barre tijden die vreest voor afzetting. Het zag er ook een beetje uit alsof de NOS zijn duurbetaalde analist zo een kans wilde bieden op rehabilitatie. In alle gevallen was het adembenemende, zelfs historische televisie. Het was een EK om nooit meer te vergeten. De wedstrijden niet, de hysterie niet.

De oude eigenzinnige Cruijff zou natuurlijk onbekommerd hebben gewezen op het slappe verweer van Italië. In zijn bekende kromtaal zou hij hebben getuigd van zijn blijdschap over de winst, om vervolgens te wijzen op de vele speelruimte die Oranje was gegund door een radeloze tegenstander. Over de krankzinnige 4-1 victorie op Frankrijk zou hij zijn wenkbrauwen eigenzinnig hebben opgetrokken, omdat de Fransen net zoveel doelkansen hadden gehad als Nederland. Omdat de Nederlanders veel steken lieten vallen die alleen maar dankzij een hoop geluk onbestraft bleven. De oude Johan zweeg. De nieuwe Johan babbelde tegen Tom Egbers, en thuis haalde de kijker zijn schouders op. Exit Cruijff.

Ergens wel jammer, want nu was er niemand met gezag die de zaak nog een beetje in perspectief wist te plaatsen. Nu ook Cruijff wanhopig doorging met Nederland geweldig te vinden, raakte gans het land overtuigd van zijn onoverwinnelijkheid. Nederland hoefde na de poule nog maar drie potjes voetbal te winnen en het Balkenende Carnaval kon beginnen. Drie potjes voetbal tegen landen die uiteraard nooit zo goed konden zijn als de finalisten van het wereldkampioenschap van 2006. Iedereen met verstand kon aanvoeren dat toernooivoetbal heel iets anders is dan een dergelijke rekensom, maar tussen 9 en 21 juni werd er weinig nagedacht.

Het kortstondige afserveren van Cruijff ging gepaard aan het pardoes tot held verheffen van zijn vroegere pupil Van Basten. In de periode tussen de zomer van 2006 en de zomer van 2008 had het Nederlands elftal vele officiële interlands gespeeld, en meestal waren de duimen omlaag gegaan. Ondanks goede uitslagen buitelden de critici over elkaar heen. Zoals altijd gingen de deskundigen op zoek naar een verklaring voor het beroerde samenspel, en die werd gevonden op de bekende plek, bij de coach. Die deugde niet.

Maar voor deze zomer kwam er plotseling schwung in Oranje. Die vaart werd tijdens het Europees kampioenschap voor landenteams voortgezet. Ook hier moest een oorzaak voor worden gevonden, en opnieuw waren de critici er snel uit. De coach. Die was briljant. Van de ene week op de andere was Marco van Basten in de ogen van kenners en niet-kenners veranderd van een warhoofd in een ziener.

Het was ook verwarrend. Vanaf de eerste minuut in de eerste EK-wedstrijd manifesteerde zich een fanatieke eendracht die je in Nederland maar zelden aantreft. Elf voetballers die negentig minuten lang alles voor elkaar overhebben lijkt eerder iets voor landen met een militaire traditie – voor Frankrijk, Italië, Duitsland of Engeland. Zelfopoffering voor je strijdmakkers kennen Nederlanders voornamelijk van horen zeggen, wat wel eens de reden kan zijn voor de dikwijls tegenvallende resultaten op voetbaltoernooien. De ‘positieve’, op ‘verzorgd’ samenspel gebaseerde voetbalcultuur in Nederland zorgt voor opmerkelijk veel begenadigde talenten, die als het erop aankomt vaak zuchten onder een gebrek aan strijdbaarheid en collectiviteit.

De plotseling ontloken mengeling van vechtlust en saamhorigheid kon je aan de invloed van de bondscoach toeschrijven, aan zijn tactiek, ware het niet dat die tactiek maanden eerder was aangepast op verzoek van zeven vooraanstaande internationals. Als het vlotte samenspel vlak voor de start van het EK al aan de coach lag, dan lag het aan zijn wijsheid om toe te geven aan de wensen van zijn spelers. Een wijsheid – of bescheidenheid – die door critici in geval van tegenvallende resultaten ongetwijfeld zou zijn uitgelegd als slapte. Het pakte goed uit, daarom was het goed.

Waarom knokten alle elf Nederlanders op 9 juni voor iedere vierkante meter gras, voor iedere bal, terwijl dat in het verleden zo vaak te veel gevraagd was? Waarom wilden de iets minder getalenteerden best voor butler spelen als dat betekende dat de toptalenten konden schitteren? „We gingen voor elkaar door het vuur”, zei de kleine middenvelder Rafael van der Vaart, „en dat heb ik nog niet eerder zo meegemaakt”.

Van der Vaart was op dat moment al een slordige zeven jaar international – zo uniek was de door hem ervaren eendracht. In het verleden leek Van der Vaart vaak voor zichzelf te voetballen, nu ontpopte hij zich als kilometervreter. De gevierde ster van HSV Hamburg leek maar op één ding uit te zijn: winnen, of dat hem nu in de schijnwerpers bracht of niet. Een beetje zoals Ruud Gullit dat deed tijdens het EK van 1988, niet voor niets de enige keer dat Oranje het tot en met de finale van een eindronde volhield.

Misschien ontsproot de vastberadenheid wel gewoon uit een samenloop van omstandigheden, en lagen de sliertjes op het bord spaghetti zomaar ineens lekker naast elkaar. De ene keer loopt het lekker, inspireren de jongens elkaar, de andere keer niet. Maar daar kunnen de media niets mee. Een verhaal zonder een plot, zonder oorzaak en gevolg, is geen verhaal. Groepsprocessen zijn abstract, altijd lastig te doorgronden; een coach die het licht heeft gezien is aangenaam concreet. Je kunt hem van onder fotograferen en zeggen: wat is hij groot. We zijn naar het succes geleid door een groot man.

Na Nederland-Frankrijk was het Marco de Grote vanwege zijn moedige wissels. Hij had het lef gehad om verdedigende spelers te vervangen door aanvallende, als middel om Franse druk te weerstaan. Waar anderen de nadruk hadden gelegd op de verdediging, deed hij het omgekeerde – het grote – en won.

Maar zie nu eens de gebeurtenissen in de 71ste minuut van de tweede wedstrijd van Oranje. De Nederlandse vesting stond ondanks de moedige wissels op instorten toen de Franse killer Thierry Henry een kans kreeg die hij normaliter zou benutten. Zijn 2-2 gelijkmaker zou naar alle waarschijnlijkheid de ondergang van Nederland hebben ingeluid. De gelijkmaker zou niet eens onverdiend zijn geweest. Frankrijk was in die fase van de wedstrijd beter. Reken maar dat Van Basten van alle kanten kritiek zou hebben gekregen voor zijn domme wissels. Hoe haalt zo’n man het in zijn hoofd om extra aanvallers in te zetten als de verdediging juist versterking behoeft? Wat een roekeloosheid! Dat werk.

Henry miste, Nederland scoorde uit een snelle tegenaanval en Van Basten was een visionair met goede wissels.

Van Basten zelf, altijd nuchter, noemde zijn team die avond het gelukkigste. Zo was het ook. In de herhalingsmachine van de NOS en in alle straten van het land werd een ander beeld geschapen, dat van glorie en onoverwinnelijkheid. Nederland triomfator in de Poule des Doods, wie had dat gedacht, en nu was het nog even doorzetten en we hadden eindelijk weer goud. Juist wie zo naar het treffen met Rusland had toegeleefd, kon er daarna niet over uit. Weggespeeld worden door een stel Oost-Europeanen met onuitspreekbare namen was het laatste waarop was gerekend. Hoe kon dit nou?

Het kon eigenlijk vrij eenvoudig. Kwestie van ongeveer net zo spelen als voor het EK. Niet zo schitterend, dus. Met net iets te weinig collectiviteit en strijd om tot het einde toe je mannetje te staan. Met een nogal trage verdediging die te zwak is voor het hoogste niveau. Met pareltjes in de voorhoede waarop je evenwel nooit kunt rekenen. Met eigenlijk alleen een bijzonder goede keeper. Welbeschouwd heeft Oranje gedaan wat je van een elftal met enkele briljante, maar wisselvallige aanvallers en met in zijn algemeenheid een matig ontwikkelde wedstrijdmentaliteit kunt verwachten. Een paar keer stunten en er dan uitvliegen. Net als Kroatië. Even de rijen gesloten houden en het dan weer – met fatale gevolgen – laten lopen.

Teleurstellend? Het is maar hoe je ’t bekijkt. De wereld heeft een paar keer enorm genoten van onze flitsende aanvallen, vergeet dat niet. Bij andere Noord-Europese landen zie je vrijwel geen spelers als Robin van Persie, Wesley Sneijder en Arjen Robben, artiesten die je aan het dromen zetten met hun onverwachte bewegingen en bedwelmend mooie goals. In Midden-Europa trouwens ook niet. Daar zie je vooral dravers op de ‘looplijnen’ zoals uitgestippeld door de coach. Saai voetbal is dat. Nederland speelde niet saai, verre van dat.

Nederland deed niet voor het eerst in zijn historie Zuid-Europees aan. Fraaie techniek, maar soms te weinig volharding. De vertwijfeling in de ogen van sommige Nederlandse artiesten op de avond van hun uitschakeling leek bijvoorbeeld sterk op die van de Portugezen. Ze konden de verrassend grote weerstand maar moeilijk accepteren.

Duitsland begon afgelopen woensdag aan zijn halve finale tegen Turkije met een slapte die leek op gemakzucht. Een beetje zoals Nederland tegen Rusland had gedaan, en Portugal tegen Duitsland, en Kroatië tegen Turkije. De tegenstander is beter dan gedacht en dan lukt het haast niet meer om de mentale knop een zet de andere kant op te geven.

De Zuid-Europese (en Nederlandse) sterren keken neerbuigend naar hun ploeterende teamgenoten, de Duitse niet. De Duitsers zoutten hun onderlinge kwesties op tot de volgende dag. Nu eerst zien te winnen met alles wat we hebben. Met als beloning een plaats in de finale. Hun dertiende alweer. Profiterend van een vechtersgeest die bijvoorbeeld Nederland in 1988 wel opbracht in tijden van tegenspoed, en nu niet. Eigenlijk nogal vaak niet.

Van een vechtersgeest getuigde in ieder geval niet André Ooijer. Had hij tegen Frankrijk als een vorst lopen te spelen, een krijger met een oog voor de vrije ruimte; nu dreigde hij tegen Rusland te verdrinken. Wat deed hij? De geroutineerde verdediger, de laatste maanden niet meer dan reservespeler bij de modale Engelse club Blackburn Rovers, maakte hooghartige gebaartjes naar zijn bondscoach. Van Basten stond zijn spelers op te jutten, en geef hem ongelijk. Tegen de wonderbaarlijk fris combinerende Russen had Nederland totaal geen verweer. Gevolg van onvoldoende, of in ieder geval verkeerde concentratie? Zelfoverschatting? Best mogelijk. Die ligt in de Nederlandse voetbalcultuur altijd op de loer. Ze leek nadrukkelijk te schuilen in dat gebaartje van André Ooijer. Rustig maar Marco, alles komt goed.

Typisch Nederlands is het zogenaamd uitgaan van eigen kracht. Daarmee wordt bedoeld dat de tactiek bij voorkeur niet wordt aangepast aan de eigenschappen van de tegenstander. Dat kan vloeiend combinatievoetbal met zich meebrengen, en een gebrek aan strijdlust. Zeker als de opponent je voor verrassingen stelt. De trainer van het nationale Russische elftal Guus Hiddink gaat vaak maar ten dele uit van eigen kracht. Hij richt het vizier van zijn spelers op de zwakke punten van de tegenstander en hij schenkt ze het vertrouwen dat ze in de wedstrijd goed zullen mikken. En dat is precies wat op die fascinerende, voor velen ontluisterende zaterdagavond 21 juni gebeurde. Fascinerend voor hen die er rekening mee hielden, die de realiteit niet uit het oog verloren. Ontluisterend voor hen die het verhaal van de Nederlandse ongenaakbaarheid waren gaan geloven. Zij waren ontgoocheld.

    • Auke Kok