Toeteren met een Brits accent

North Sea Jazz heeft een aantal Britse bandjes uitgenodigd. Twee vragen dringen zich daarbij op: is het wel jazz wat ze spelen? En: wat is er typisch Brits aan?

Videostills afkomstig van You Tube

Op de begane grond stond de jazz. Het souterrain, waar je via een ijzeren spiltrap kwam, was voor de blues. Ray’s Jazz lag in de oksel van twee Londense straten. Een gele deur aan Shaftsbury Avenue en een rode aan Monmouth Street. Ik kwam er elke paar weken.

Maar de beste jazzwinkel van Londen is er niet meer. Dat wil zeggen, niet op die plek. Foyles, de laatste onafhankelijke boekwinkel van Londen, bood Ray’s Jazz onderdak toen die de huur van de winkel niet meer kon opbrengen. Je komt er nu via de afdeling computerboeken op de eerste verdieping van Foyles. Ze verkopen er ook voedzame broodjes en ambachtelijk bier. En het personeel is er jong en behulpzaam.

Ik weet niet of de man die destijds in het oude souterrain leefde kon praten. Zijn collega van de begane grond gromde voornamelijk. Bijvoorbeeld als ik vroeg of de nieuwste cd van een saxofonist waar ik iets mee had al binnen was. Dan schudde hij zijn hoofd, rommelde even in een bak en verwisselde de cd onder het bordje ‘Now Playing’.

Meer dan eens viel ik voor zijn tactiek. Zo kom ik aan de laatste plaat die ik er kocht: Impressed, een compilatie van Britse jazz uit de jaren ’60 en ’70, herontdekt door BBC-diskjockey Gilles Peterson. Die cd is een tijdmachientje. De baritonsax waarmee Ronnie Ross zijn kwintet bijna vanaf de achtergrond lijkt te leiden, of de quasi achteloze piano van Michael Garrick hadden de soundtrack kunnen zijn bij Antonioni’s film Blowup, uit 1969. Dat mag het jaar van Abbey Road zijn geweest, maar zo klonk Londen toen óók.

Ik moest denken aan Ray’s Jazz en die cd toen ik zag dat North Sea Jazz dit jaar een aantal jonge Britse bands heeft uitgenodigd: Acoustic Ladyland, Led Bib, Empirical, het Finn Peters-ensemble en nog wat artiesten als vertegenwoordigers van een ‘spannende jonge jazzscene’. Dit zijn de bands die over dertig jaar ook op een compilatie-cd verschijnen en dan zullen bepalen hoe Londen (en misschien wel het hele land) in 2008 klonk.

Neem het begin van het nummer Road of Bones, een lief, haast minimalistisch motiefje op piano. Een kleine minuut duurt het. Dan breekt een pandemonium los van bas, slagwerk en, even later, ook een saxofoon als een motorzaag. En daarin hoor je, als je van de eerste schrik bent bekomen, toch weer dat motiefje. Met dit nummer opent Skinny Grin, de derde cd van Acoustic Ladyland. De band is in 2001 opgericht met een saluut aan Electric Ladyland, Jimi Hendrix’ laatste plaat. Je snapt meteen waarom het publiek bij concerten van die groep niet aan tafeltjes met een schemerlampje zit, maar op en neer springt en zelfs aan stage diving doet. Dit is eerder punk dan jazz. Geen wonder dat iemand deze band ooit ‘The Sax Pistols’ heeft genoemd.

Of neem de helse cocktail die de groep Led Bib (genoemd naar het ‘loden slabbetje’ dat patiënten in de tandartsstoel beschermt bij een röntgenfoto), op het podium à l’improviste kookt: klonterige soep van drum- en basritmes, waar sax en toetsen John Zorn-achtige free-jazz doorheen roeren.

Moet je zulke groepen in de platenwinkel onder ‘rock’ of ‘punk’ of ‘jazz’ zoeken? Recensenten worstelen ermee. „Acoustic Ladyland is hetzij een elektrische jazz band die vette rock ‘n’ roll speelt, hetzij een rock ‘n’ roll band die elektrische jazz speelt (maar hoe dan ook je neus eraf blaast)”, schreef het online-blad All About Jazz in 2005. „Geen rock, geen disco en zeker geen fusion’’, schreef The Guardian in hetzelfde jaar, zonder te zeggen wat het dan wel was. Anderen hielden het simpeler, maar niet minder vaag, op ‘dirty jazz’, ‘trash jazz’, ‘death jazz’ of ‘post-jazz’.

Aan de musici zelf lijken die etiketten niet besteed. „Muzikanten spelen geen muziek om genres te scheppen, maar alleen om hun creatieve instincten te bevredigen’’, zei James Alsopp, de saxofonist van het Britse kwintet Fraud, in een BBC-interview. Pete Wareham, bandleider van Acoustic Ladyland, is het met hem eens. In het Schotse weekblad The List zei hij vorig jaar: „Ik heb me er tegen moeten verzetten onze muziek een naam te geven, want als je dat doet kom je snel tot bloei, maar je bent ook snel uitgebloeid, is mijn ervaring.’’

De behoefte aan nieuwe labels leeft vooral bij „mensen die geloven dat er sinds John Coltrane eigenlijk niks meer gebeurt in de jazz’’, meent Mark Holub, de slagwerker die Led Bib leidt. Zijn generatie doet volgens hem gewoon wat jazzmusici altijd hebben gedaan: improviseren en kijken wat er buiten de gebaande paden is te beleven.

Daarmee is die andere definitievraag niet opgelost: wat is hier zo Brits aan? BritPop en BritArt zijn intussen gevestigde begrippen. Is dit niet gewoon BritJazz? Misschien. Eerst even terug naar die cd

In het kort gaat dat zo: na de Tweede Wereldoorlog verloren de Britten de illusie een wereldmacht te zijn. Het Empire smolt weg, de lotsverbondenheid met de VS sprak niet langer vanzelf, en in Europa konden ze evenmin een nieuwe rol vinden. Dat weerspiegelde zich in de jazz. Anders dan Parijs was Londen tot dan toe vooral een Amerikaanse jazzprovincie geweest. Maar in de jaren zestig zochten sommige Britten een eigen weg. Voor iemand als Michael Garrick – dit jaar 75 geworden – betekende dat niet zomaar voortborduren op Parker of Ellington. Hij zocht zijn roots niet in de Amerikaanse blues, maar in Engelse kerkmuziek, folk en de Indiase instrumenten uit het afkalvende Britse Rijk. En saxofonist/componist Joe Harriott (1928-1973) verkende een eigen vrije vorm, waarin hij Europese avantgarde-muziek combineerde met de Caraïben, waar hij was geboren. Allebei anders, maar allebei ook ‘typisch Brits’, al kun je dat pas achteraf zeggen. En misschien is zelfs dat allemaal hineininterpretatie: je hoort gewoon wat je wilt horen.

Met punk en later house staken working class-jongeren in de jaren tachtig vanuit de goot een middelvinger op naar Margaret Thatcher. Is er nu ook al iets van van zo’n verhaal over de new wave in de Britse jazz te vertellen? Ik doe een gooi. Tien jaar geleden probeerde de toenmalige premier, Tony Blair, de culturele mood of the nation te vangen met het etiket ‘Cool Britannia’. Dat etiket sloeg nooit echt aan, maar je begreep ongeveer wat hij bedoelde: multicultureel, internationaal, eigenwijs. Dat paste bij een land dat zijn zelfverzekerdheid begon te hervinden. Met een toenemende welvaart en afnemende klassentegenstellingen kreeg ook Blairs Brittannië de muziek die het verdiende: geen sociaal protest, maar kosmopolitische bravoure. Vitaal, en zelfverzekerd op het brutale af. Met een forse scheut ironie en zelfspot, alsof ze nog niet echt kunnen geloven. Je ziet het bij jonge Britse schilders en schrijvers. En in de keuken, natuurlijk. Het betekent niet dat jazz uit Amsterdam, New York of Berlijn niet internationaal of brutaal kan zijn, maar juist deze combinatie maakt het Britse accent: het geluid van een eiland dat open staat voor de grote wereld, maar toch eigenwijs zijn eigen gang gaat. Ook dit is natuurlijk hineininterpretatie. Je hoort wat je wilt horen. En het duurt vast nog even voor we het grotere verband horen. Tot die tijd kunnen we Britse jazz ook gewoon wereldmuziek noemen.

Ray’s Jazz, in boekhandel Foyles, 113-119 Charing Cross Road, London, WC2; www.foyles.co.uk/ rays.asp

Led Bib speelt vrijdag 11 juli om 21.45 uur in de Missouri-zaal Acoustic Ladyland speelt zaterdag 12 juli om 22.45 uur in de Yukon-zaalFinn Peters speelt zaterdag 12 juli om 20.15 uur in de Murray-zaal